Tagarchief: ’t kofschip

Cito-toets 2015: enkele tips&tricks voor spelling!

Spelling van niet-werkwoorden is ook een vast onderdeel in de Cito-toets. Een paar regels die je moet kennen:

  • Bijvoeglijke naamwoorden eindigen op een -e, behalve wanneer het een materiaal betreft (de houten tafel) of wanneer een voltooid deelwoord van een sterk werkwoord bijvoeglijk wordt gebruikt (het gebroken sieraad).
  • Een trema wordt geschreven om problemen met de uitspraak te voorkomen (efficiënt, coördineren). Of je bij het meervoud van woorden die op -ie eindigen één of twee e’s schrijft, hangt af van waar de klemtoon valt. Valt de klemtoon niet op ‘ie’, dan schrijf je één e met trema (bacteriën). Valt de klemtoon wel op ‘ie’, dan schrijf je ‘ieë’ (fantasieën).
  • Bij meervoud van een woord dat eindigt op de klinker i, a, u, o en y gebruik je een apostrof omdat je anders een verkeerde uitspraak krijgt (menu’s, agenda’s, taxi’s, auto’s, baby’s).
  • Je schrijft geen ‘tussen -n‘ wanneer het eerste deel van een samenstelling verwijst naar iets dat uniek is (zonneschijn) of als het eerste woord de betekenis van het tweede versterkt (apetrots, beregoed).
  • Om snel het fout gespelde woord te vinden, kun je het woord het best in lettergrepen verdelen. Een paar voorbeelden:

Alle regelmatige werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd: in alle gevallen (t.t./v.t./volt.deelw.) kun je uitgaan van de ik-vorm van het werkwoord en daar achter ‘plakken’ wat op dat moment nodig is. De tegenwoordige tijd is simpel (stam+t) en voor de verleden tijd (-te of -de) en het voltooid deelwoord (-t of -d) moet je de regels van ‘t kofschip (x) kennen.

De verleden tijd kan dus soms worden geschreven met twee klinkers en twee medeklinkers. Dit geldt voor regelmatige werkwoorden die eindigen op -ten of -den:

Maar, dit geldt alleen voor regelmatige werkwoorden. Bij onregelmatige (sterke) werkwoorden schrijf je nooit twee klinkers en twee medeklinkers! Een paar voorbeelden. Wij smeetten de kleren in de hoek (smijten —> wij smeten). Zij beslootten het toch niet te doen (besluiten —> besloten). Of ook: wij verdwaaldden gisteren in het bos (verdwalen —> verdwaalden (regelmatig)).

Advertenties

CITO: een spellingtoets

Het onderdeel taal op de cito-toets is met 100 van de 200 vragen het meest omvangrijk. Het grootste deel van de toets bestaat uit opgaven die te maken hebben met begrijpend lezen. Het belangrijkste advies dat kan leiden tot een goed resultaat is veel lezen en veel oefenen met oude cito-toetsen. Eén vijfde deel van deze 100 vragen gaat over spelling, onder andere spelling van werkwoorden. Juist op dat laatste onderdeel is met een aantal simpele spelregels een hele goede score te behalen.

De regels: staat een zin in de tegenwoordige tijd, gebruik dan ter controle van de juiste spelling het werkwoord ‘lopen’. Hoor je een ‘t’, dan schrijf je die ook bij het betreffende werkwoord. Staat een zin in de verleden tijd of betreft het een voltooid deelwoord, ga dan eerst terug naar het hele werkwoord en kijk of de laatste letter van de stam een letter van “t kofschip (x)” is of niet. Zo ja, schrijf je de verleden tijd met -te(n) en het voltooid deelwoord met een -t. Zo niet, met respectievelijk -de(n) en een -d. Een kind kan de was doen. (Wellicht ten overvloede, een vervoeging van de verleden tijd eindigt nooit op -dt; in oudere cito-toetsen is regelmatig het zinnetje ‘hij boodt op ….’ voorgekomen).

Na de publicatie van enkele rekentoetsen en een toets studievaardigheden moest er natuurlijk ook nog een toets spelling worden gegeven. De opgave bij deze toets is het vinden van de foutief gespelde woorden.