Tagarchief: PABO

Universitaire pabo

Over vier jaar wordt Amsterdam overspoeld door goede leraren op de basisschool. Alle kritieken die we de laatste jaren hebben gehoord over de kwaliteit van het onderwijs en over het opleidingsniveau van de pabo zullen hiermee misschien verstommen.

Vandaag vindt de officiële opening plaats van de Universitaire Pabo van Amsterdam. Studenten aan de Universitaire Pabo doen twee bachelors tegelijk: de hbo-bachelor Leraar Basisonderwijs en de wo-bachelor Pedagogische Wetenschappen. Binnen de opleiding ligt de nadruk op de grootstedelijke dynamiek en het Amsterdamse basisonderwijs. De eerste studenten gaan op 1 september van start.

De Universitaire Pabo is niet alleen gericht op lesgeven in theorie en praktijk, maar ook op het doen van onderzoek. Hierbij staat de grootstedelijke context van het onderwijs, zoals in Amsterdam, centraal: rijkdom aan culturen, (mogelijke) taalachterstand bij jonge kinderen, differentiëren en grootstedelijke problematiek. De studenten lopen vanaf het eerste jaar stage bij geselecteerde basisscholen in Amsterdam.

“Het gaat beter met het primair onderwijs, maar we zijn er nog niet.” Toch eindelijk weer goed nieuws voor de basisscholen. De bestaande mbo-pabo’s krijgen concurrentie en hopelijk heeft het hogere niveau van de nieuwe lerarenopleiding ook een positief effect op de kwaliteit (lees: reken- en taalniveau) van de lerarenopleiding op de bestaande pabo’s.

Met 3 jaar al naar de basisschool

De onderwijsraad stelt voor om het basisonderwijs uit te breiden met een pedagogisch hoogwaardig aanbod voor alle driejarigen. De belangrijkste reden hiervoor is de bedenkelijke kwaliteit van kinderdagverblijven en peuterspeelzalen.

Peuters van drie jaar kunnen dan vijf ochtenden in de week een naar school, waardoor hun vroegschoolse ontwikkeling kan worden gestimuleerd. In veel andere landen is het al gebruikelijk dat kinderen vanaf drie jaar deelnemen aan het kleuteronderwijs. Omdat het alleen de ochtenden betreft, zullen velen nog steeds zijn aangewezen op een kinderopvang voor de middag; veel ouders hebben immers beiden een baan en op een kinderdagverblijf kunnen kinderen wél tot zes uur aanwezig zijn.

De onderwijsraad heeft becijferd dat de structurele extra kosten van deze uitbreiding voor de overheid tussen de 100 en 200 miljoen euro gaan bedragen. Als ik er van uitga dat er in Nederland ongeveer 250.000 driejarigen zijn, komt dit uit op 400 tot 800 euro per kind. Buiten het feit dat ik een voorstander zou zijn van dit nog te realiseren plan, zal het voor een aantal ouders ook een financieel aantrekkelijke oplossing zijn; één ochtend in de week naar de kinderopvang kost op jaarbasis al gauw zo’n 1000 euro en de meeste kinderen gaan drie dagen per week naar een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal. Omdat aan de andere kant een veel groter deel van de ouders voor kinderopvang een toelage van de belastingdienst krijgt – die dan niet meer hoeft te worden uitgekeerd – kunnen de extra uitgaven voor de uitbreiding van de basisschool mijns inziens gemakkelijk door de fiscus zelf worden bekostigd.

Het nieuwe initiatief zal ook gevolgen moeten hebben voor de pabo-opleiding. De onderwijsraad geeft aan dat de lerarenopleiding terug moet naar de oude structuur van kweekschool en pabo. In een eerder artikel heb ik al geschreven daar een voorstander van te zijn. Gekwalificeerde leerkrachten zullen de kinderen moeten stimuleren en begeleiden. Daarom moet er een specialisatie worden aangeboden voor jonge (3-8 jaar) en oudere (6 – 12 jaar) kinderen. Ook bestaande leerkrachten moeten gaan bijleren: “Om een brede inzetbaarheid van leerkrachten binnen de gehele basisschool te waarborgen zou een brede bevoegdheid moeten blijven bestaan, maar met de verplichting om bij wisseling tussen onderbouw en bovenbouw (en omgekeerd) een eenjarige bijscholing te volgen.”

Misschien gaat het toch nog wat worden met Nederland kennisland.

Update: (demissionair minister) Rouvoet heeft zojuist aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel van de Onderwijsraad: de beslissing hierover ligt bij het volgende kabinet…

Wildgroei aan bijlesinstituten?

Volgens een artikel in de Telegraaf van afgelopen zaterdag bestaat er een wildgroei aan huiswerkinstituten. Er wordt betoogd dat van veel kleinere aanbieders de kwaliteit niet kan worden vastgesteld. Ook zijn de kosten voor de bijlessen of huiswerkbegeleiding meestal niet transparant.

Allereerst die kosten dan maar. In Amsterdam worden bijvoorbeeld bijlessen aangeboden van € 7,50 tot € 22 per uur. Dat zijn natuurlijk mooie prijzen, maar die worden dan ook meestal gevraagd door mensen die wat willen bijklussen. Meer gerenommeerde instituten vragen meestal rond de € 35 per uur, maar er zijn ook bijlessen voor bedragen van boven de € 50 (!) per uur te krijgen. Grotere instituten doen zelfs geen uitspraak over de hoogte van de kosten die ze in rekening brengen; vaak wordt er een verhaal opgehangen dat vanwege specifieke situaties de prijs per kind kan verschillen. Onzin natuurlijk, de leerling heeft begeleiding nodig en die moet gewoon gegeven worden, (prijs)onafhankelijk van wat het precieze probleem is.

Uiteindelijk gaat het alleen om de kwaliteit van de bijles. Die kwaliteit is niet gewaarborgd als het om een groter instituut gaat of wanneer de hoofdprijs wordt betaald, maar heeft te maken met de lesmethode die wordt gehanteerd, het vermogen van de bijlesleraar om goed te kunnen uitleggen, het kunnen signaleren en oplossen van eventuele leerproblemen en kennis van zaken als het gaat om lesmateriaal.

Uitgangspunt van bijles aan leerlingen van het voortgezet onderwijs is, naast de genoemde zaken, dat er veel aandacht wordt besteed aan het aanleren van een betere studiemethode, zodat de leerling uiteindelijk zelf in staat is op een effectieve manier te studeren. Leren om te leren staat aan de basis voor succes op school. Met betrekking tot de keuze van een bijlesinstituut als het gaat om voorbereiding op de entree- of Cito-toets op de basisschool, kan het verstandig zijn om te vragen naar een ‘track-record’; prestaties in het verleden bieden in dit geval wel degelijk garanties voor de toekomst.

Huiswerkbegeleiding heeft meestal niet zo veel met bijles te maken, maar is in veel gevallen een veredelde kinderopvang. Meestal gaat het er om dat de ouders er zeker van willen zijn dat hun kind voldoende tijd aan huiswerk besteedt. Juist in de huiswerkklassen zou het accent moeten liggen op het aanleren van ‘leren om te leren’; het gebrek aan deze vaardigheid is immers de reden dat deze leerlingen überhaupt aanwezig zijn. In principe kan de leerling in de huiswerkklas wel om uitleg vragen, maar enig initiatief voor meer persoonlijke begeleiding of een specifiek lesprogramma ontbreekt meestal. Vreemd eigenlijk, want een goede bijles draait juist om persoonlijke begeleiding.

Slechtste pabo’s in Amsterdam

Als trouwe lezer van dit blog weet u natuurlijk allang dat ik een mening heb over de kwaliteit van de pabo-opleiding. De onderwijsbond AOb heeft de kwaliteit van de Amsterdamse pabo vorige week woensdag gekwalificeerd als slechtste lerarenopleiding van Nederland. De Amsterdamse Ipabo, die ook een vestiging in Alkmaar heeft, kreeg eind vorig jaar, ondanks een herkansing, zelfs géén keurmerk van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Het artikel in de Telegraaf kunt u hieronder lezen.

Bron: de Telegraaf, 17 februari 2010

Vervelend voor de pabo, vervelend voor Amsterdam, maar het meest vervelend voor de pabostudenten….en een schande voor het onderwijs in Nederland.

Artikel in nrc next

De discussie over de kwaliteit van het onderwijs houdt de gemoederen nog steeds bezig. Vandaag een stuk met een tiental meningen over dit onderwerp op de opiniepagina van nrc next. Omdat het stuk niet integraal is gepubliceerd op de internetsite van de krant, heb ik voor de geïnteresseerden (met wat knip- en plakwerk) een kopie gemaakt:

Eerste prioriteit: taal en rekenen

Vandaag een publicatie  in Het Parool van een stuk dat ik eerder schreef. Natuurlijk heel leuk wanneer er een stuk van eigen hand wordt gepubliceerd, maar ik vind het eigenlijk nóg leuker dat, misschien mede door dit artikel, er meer aandacht komt voor het onderwijsniveau van rekenen en taal op de basisschool.

Het Parool, 2 februari 2010

Basisonderwijs en de incompetentie van de PABO-competentielijst

Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van het onderwijs. Het reken- en taalniveau op de basisscholen is vaak ondermaats en veel mensen hebben daar iets over te zeggen. Oplossingen worden soms genoemd, maar vooralsnog blijkt de situatie zich niet te verbeteren.

Er zijn drie probleemgebieden: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs.
De rekenvaardigheid op de basisschool is ondermaats, mede door onvoldoende vakkennis bij leraren. Het gehanteerde systeem van ‘realistisch rekenen’ heeft er blijkbaar niet aan bijgedragen de problemen te verhelpen. Sterker nog, taalzwakke leerlingen hebben een extra probleem omdat de meeste sommen in verhaalvorm worden gegoten. Een onderzoek aan de universiteit van Ohio heeft laatst aangetoond dat het gebruik van concrete voorbeelden, verhaalsommen dus, contraproductief werkt: een leerling die een wiskundige theorie leert aan de hand van voorbeelden, zal volgens het onderzoek moeite hebben de theorie opnieuw toe te passen in een andere vragencontext. Kinderen beschikken ook over onvoldoende vaardigheden met betrekking tot begrijpend lezen: begrip van grammatica is een hekel punt. Eén en ander zorgt er voor dat de aansluiting van de basisschool op het voortgezet onderwijs niet goed genoeg is, maar ook de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hogere beroepsonderwijs vraagt verbetering.

De structuur van de PABO-opleiding moet op de schop. Het grootste probleem van deze lerarenopleiding is dat gediplomeerden niet voldoen aan de criteria die zouden moeten gelden voor een goede onderwijzer. De competentielijst die de PABO hanteert (het aantal vaardigheden dat een toekomstige leraar zou moeten beheersen) omvat voornamelijk onderdelen op gebieden als pedagogie, didactiek, communicatieve vaardigheden en management.

Bron:Competentie- en scoringslijst ten behoeve van Assessments en Integrale Beoordelingsmomenten PABO 2006/2007

Natuurlijk zou een docent zónder deze competenties niet geschikt zijn voor het onderwijs, maar het is toch op z’n minst opvallend dat er van alle (21!) competenties slechts één is die echt ingaat op de reken- en taalvaardigheden van de student: ‘kennis van de vakgebieden’. De belangrijkste vaardigheid die een pabo-student zich eigen zou moeten maken blijft in de opleiding dus onderbelicht.

Maar ook de basisscholen zelf nemen te weinig initiatief tot verbetering. Nascholing van bestaande docenten staat vreemd genoeg op een veel te laag pitje, terwijl er van overheidswege wel gelden beschikbaar voor zijn gesteld. Waarschijnlijk komt dit door de invoering van de Lumpsum-financiering, die inhoudt dat de overheid één budget aan een school geeft dat ‘vrij besteed’ kan worden (het basisonderwijs ontving in 2008 60 miljoen euro meer dan het uitgaf!). Ook zou het primair onderwijs op de eerste plaats een onderwijsinstelling moeten zijn, maar te vaak wordt de nadruk gelegd op opvoedingszaken. Het is een opvoedrol die scholen wordt opgedrongen door de overheid. Dat is niet altijd verkeerd, maar het sluit niet aan op de Cito-toets en de entreetoets, waarin kinderen gewoon keihard worden beoordeeld op hun kennis van rekenen en taal.

In de huidige discussie over het onderwijs is, bij monde van staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs), al gesteld dat de structuur van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs moet veranderen om het taal- en rekenonderwijs te verbeteren. Zij heeft met de HBO-raad afgesproken dat vaardigheden en kennis van toekomstige leraren moeten worden vastgelegd in kennisbases en vaardigheden van kinderen in kerndoelen. Het zijn plannen voor de toekomst, maar logge bestuursorganen en vastgeroeste structuren verhinderen nog steeds een snelle implementatie.
Toch dient er in het basisonderwijs snel een stevige basis te worden gelegd middels goed onderwijs in rekenen en taal. Op de basisschool worden immers de eerste fundamenten gelegd voor de verdere toekomst van een kind. Zonder deze fundamenten worden de aanwezige capaciteiten bij de leerling niet volledig tot ontplooiing gebracht, wordt de overgang naar het voortgezet onderwijs onnodig bemoeilijkt en worden de potentiële toekomstmogelijkheden van het kind beperkt. De criteria die door de basisschool gehanteerd worden voor het bepalen van het niveau van de vervolgopleiding – Leerling Volg Systeem, entreetoets en Cito-toets – geven zonder die goede basis nu een onvolledig beeld van potentiële capaciteiten van een leerling.

Wat zijn de mogelijke oplossingen? Op de PABO zal de competentie ‘kennis van de vakgebieden’ een veel zwaarder gewicht moeten krijgen door meer lesuren aan taal- en rekenvaardigheden te besteden. Dit zal resulteren in kwalitatief beter opgeleide docenten en dus ook in betere prestaties van leerlingen op de basisschool. Een toenemende kwaliteit in het onderwijs zal dan wel tot uiting moeten komen in een betere salariëring van een docent. Ook het toelatingsbeleid voor de PABO-opleiding zal aan strengere eisen moeten gaan voldoen. Bovendien dient het op orde brengen van de basisvaardigheden al in de eerste twee jaren van de pabo-opleiding de hoogste prioriteit te hebben. Dit moet zijn gebeurd voordat studenten aan stages op basisscholen beginnen; het kan natuurlijk niet zo zijn, dat een leraar in spé gemiddeld slechter rekent dan een goede leerling uit groep 8.
Verder zal de lerarenopleiding terug moeten naar de oude structuur van kweekschool en pabo. Er is geen reden waarom een kleuterleerkracht rekensommen van groep 8 moet kunnen uitleggen. Omgekeerd hebben veel toekomstige leraren geen zin om zo lang een studie te volgen waar je ook wordt opgeleid om te leren plakken en knippen met kleuters.
Deze verbeteringen zullen mede tot gevolg hebben dat het aantrekkelijker wordt om te kiezen voor een baan in het primair onderwijs. Het nog steeds afnemende aantal nieuwe pabo-studenten kan dan een halt worden toegeroepen.

Het op de basisschool herinvoeren van het traditioneel rekenen en de lat hoger leggen door beter, maar ook méér reken- en taalonderwijs is een tweede verbetering. Beter taalonderwijs kan worden gerealiseerd door o.a. de lessen in grammatica uit te breiden; het eindoel in groep 8 voor bijvoorbeeld zinsontleding gaat nu niet verder dan het behandelen van het lijdend voorwerp. Meer en vollediger grammaticaal onderwijs zal resulteren in betere resultaten op gebieden als begrijpend lezen en taalbegrip.
Tenslotte zal de standaard in het basisonderwijs ook moeten worden verhoogd; er zal meer tijd en geld moeten worden vrijgemaakt voor nascholing van leraren.
Een combinatie van al deze veranderingen zal leiden tot een structureel beter basisonderwijs en beter voorbereide kinderen in Nederland.