Tagarchief: leerachterstand

Rekenniveau in Nederland

Integraal overgenomen van de site van GeenStijl: een betoog over de dramatische stand van zaken van het Nederlands rekenonderwijs, geschreven door iemand met verstand van zaken.

Open brief aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Geachte mevrouw Van Bijsterveldt,

Anderhalf jaar geleden haalde mijn dochter tweeën en drieën voor haar wiskundeproefwerken in klas 3vwo. Ik keek waar het mis ging. Ze bleek vooral niet met breuken te kunnen omgaan. Toch is mijn dochter een slimme meid. Ze had destijds op de basisschool de maximale Citoscore gehaald. Kennelijk deugen zowel het rekenonderwijs op de basisschool als de Citotoets niet. Hoe kan dat? Het Traditioneel Rekenen is rond de 40 jaar geleden afgeschaft; nu is er het rampzalige Realistisch Rekenen. Jan van de Craats schrijft daarover in het zwartboek: “Waarom Daan en Sanne niet kunnen rekenen.”

Mijn zoon gaat binnenkort Wiskunde studeren in Leiden, net als ik 33 jaar geleden. Hij heeft net VWO eindexamen gedaan in de Wiskunde B variant, die voorbereidt op de exacte wetenschappen. Ik heb naar dat examen (pdf) gekeken. Het was een vreselijk ratjetoe, 12 vellen dik (ik dacht dat 1 A4-tje normaal was). Inzicht in wiskundige functies werd nauwelijks getoetst; wel de behendigheid om knopjes op een rekenmachine in te drukken.

Nutteloze vormen van wiskunde
Er was een paginagroot verhaal bij over een kunstenares. Leuk voor het vak Nederlands of CKV, maar misplaatst op een wiskundetoets. Op de volgende bladzijde stonden er drie priegelige tekeningetjes naast elkaar, en daaronder een vraag over het middelste tekeningetje; eigenlijk een soort ogentest. Andere opgaven gingen over wirwarren van driehoeken, vierhoeken en cirkels: een nutteloze vorm van wiskunde. Erger nog: je weet gewoon niet waar je moet beginnen om de vraag te beantwoorden. Dit toetst nauwelijks een wiskundige vaardigheid. Inmiddels heeft het College voor Examens laten weten dat maar liefst 3 van de 17 opgaven Wiskunde-B niet meetellen (pdf) voor de beoordeling. De reden vertelt men niet, maar het zal iets met kwaliteit te maken hebben.

Een sterke lobby verdedigt de rekenramp met blabla-verhaaltjes en drogredenen over het belang van inzicht, ‘handig rekenen’, en verhaaltjesrekenen. Zo schreven achttien hoogleraren in 2008 in NRC: “‘Realistisch rekenen’ niet goed? Kinderen presteren juist beter.” Onder hen was Diederik Stapel, bekend van de verzonnen onderzoeksgegevens. Het realistisch rekenen is een nog veel grotere en schadelijkere oplichterij: er is geen empirische onderbouwing dat die methode goed werkt – integendeel.

Slecht rekenen is moord
Ik vond deze twee citaten op BeterOnderwijsNederland.nl:

“In arren moede zijn we op onze faculteit maar weer begonnen om in de eerste weken van het collegejaar het elementaire rekenen met breuken te behandelen, tot grote verbazing en hilariteit van onze buitenlandse studenten (Chinezen en Koreanen) die zich terecht afvragen in wat voor land ze eigenlijk terechtgekomen zijn.”

“Het beroemdste voorbeeld is natuurlijk de verpleegster die voor moord werd aangeklaagd omdat ze een patiënt een overdosis insuline had gegeven. Haar (oprechte) verweer was dat ze simpelweg het recept van de dokter had uitgevoerd: “Vorige week moest ik 0,1 mg geven, en deze week stond er plotseling 0,10 mg, dat is dus 10 keer zoveel…”

Eind 2011 dienden D66 en de SGP in de Tweede Kamer een motie in om het gebruik van de rekenmachine bij toetsen en examens te beperken. Maar, mevrouw de minister, u wilde eerst advies inwinnen, en de motie werd aangehouden. In april kwamen de adviezen binnen, van het College voor Examens en het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling SLO. U schreef de kamer dat er geen verdere maatregelen nodig zijn. Maar, zoals uit de bijlage van het SLO-rapport blijkt, zowel de vereniging Beter Onderwijs Nederland als de Stichting Goed Rekenonderwijs keurden het advies van SLO af. En Jan Karel Lenstra, voorzitter van de KNAW-rekenonderwijscommissie schreef over het SLO-advies: “(…) het rekenonderzoek in ons land heeft een ongewenste traditie van vooringenomenheid en ik verzet me daartegen. Dat een verdere inperking van het gebruik van de rekenmachine op school in strijd is met wat men buiten de school doet is een heel slecht argument. Buiten de school viert de gemakzucht hoogtij. Een taak van de school is nu juist de kinderen te leren daaraan zo lang mogelijk te ontsnappen.” De facto diskwalificeert Lenstra hiermee het SLO-rapport.

In 2010 had de Tweede Kamer besloten dat vanaf 2013 alle leerlingen in het voortgezet onderwijs een rekentoets moeten afleggen. U heeft toen als staatssecretaris gezegd dat de leerlingen daarbij geen rekenmachine zouden mogen gebruiken. Tegen deze afspraak in blijkt nu dat toch ruim 80% van de vragen met een rekenmachine mag worden opgelost. Verhaaltje lezen, plaatje kijken, knopjes drukken, antwoord intypen: wie dat goed kan slaagt; geen probleem als je niet kan rekenen en zelfs de tafel van 2 niet kent. De overige ‘echte’ rekenopgaven zijn eenvoudig en kunnen met “handig rekenen” worden opgelost, dus zonder standaardrekenmethodes.

Rekenramplobby
Eigenlijk hadden we dit bedrog kunnen verwachten; de machtige rekenramplobby saboteerde een serieuze rekentoets die haar zou kunnen ontmaskeren. Maar deze maand bleek uit een proef dat scholieren zelfs met de quasirekentoets dramatisch slecht scoren.

Mevrouw de minister: gooit u alstublieft al die onzinrapporten in de prullenbak; smijt de rekenmachines, deze ‘weapons of math destruction‘, het wiskundelokaal uit, en stop de rekenramp. Onze kinderen hebben daar recht op.

André van Delft
Wetenschapper en software-ontwikkelaar

P.S. Ohja, dit is ook leuk. Ik kwam bij BeterOnderwijsNederland de methode ZOEFI tegen. Dit is echt verschrikkelijk. Totale debilisering van groep 8. Zie ook de link in die comment naar deze video. “fi” in de URL staat voor Hans Freudenthal; de wiskundige die vorige eeuw met goede bedoelingen het rekenen om zeep heeft geholpen.

 

Het nut van bijles (2)

In de media gaat het weer eens over de kwaliteit van het onderwijs. Aankomende mbo-studenten halen bij de start van hun opleiding vaak niet eens het niveau dat ze aan het eind van de basisschool bereikt moeten hebben. Vooral met rekenen is het probleem zeer precair.

Met taal blijft 25% van de leerlingen steken onder het gemiddelde niveau van de basisschool; met rekenen haalt zelfs 50% (!) dit gemiddelde niveau van groep 8 niet. Het betreft hier niet zo maar een steekproef: 60.000 studenten van het mbo zijn de afgelopen maanden getoetst op hun vaardigheden. De toetsen, opgesteld door Bureau ICE, sluiten aan bij de zogeheten referentieniveaus die sinds het begin van dit schooljaar in de wet vastliggen. Daarin is per schoolsoort bepaald wat een leerling aan de eindstreep moet kunnen op het gebied van rekenen en taal.

Eerder heeft de overheid al aangegeven voor de periode 2010-2013 50 miljoen per jaar extra te investeren om de taal- en rekenvaardigheid  te verbeteren. Misschien dat deze investering de komende jaren zijn vruchten gaat afwerpen, maar de conclusie vooralsnog luidt wel dat de kwaliteit van het onderwijs ver ondermaats is. Want wanneer 50% van de mbo-studenten slechter rekent dan een gemiddelde achtste-groeper betekent dit natuurlijk wel dat het genoten onderwijs ruim onvoldoende is geweest. Het nut van bijlessen is hiermee eveneens aangetoond. Met twee uur bijles per week worden hier zonder problemen de voorgeschreven referentieniveaus gehaald. Waarom lukt dat niet in vijf dagen school per week?

Laten we beginnen met gewoon weer ouderwets veel aandacht te besteden aan taal en rekenen en minder tijd te besteden aan het stimuleren van sociale vaardigheden en ‘gefröbel’ in de klas. En investeren in primair en voortgezet onderwijs is natuurlijk van belang, maar een zwaarder accent op het verbeteren van lerarenopleidingen lijkt van primair belang om de kwaliteit van het onderwijs op een acceptabel niveau te krijgen.

Wildgroei aan bijlesinstituten?

Volgens een artikel in de Telegraaf van afgelopen zaterdag bestaat er een wildgroei aan huiswerkinstituten. Er wordt betoogd dat van veel kleinere aanbieders de kwaliteit niet kan worden vastgesteld. Ook zijn de kosten voor de bijlessen of huiswerkbegeleiding meestal niet transparant.

Allereerst die kosten dan maar. In Amsterdam worden bijvoorbeeld bijlessen aangeboden van € 7,50 tot € 22 per uur. Dat zijn natuurlijk mooie prijzen, maar die worden dan ook meestal gevraagd door mensen die wat willen bijklussen. Meer gerenommeerde instituten vragen meestal rond de € 35 per uur, maar er zijn ook bijlessen voor bedragen van boven de € 50 (!) per uur te krijgen. Grotere instituten doen zelfs geen uitspraak over de hoogte van de kosten die ze in rekening brengen; vaak wordt er een verhaal opgehangen dat vanwege specifieke situaties de prijs per kind kan verschillen. Onzin natuurlijk, de leerling heeft begeleiding nodig en die moet gewoon gegeven worden, (prijs)onafhankelijk van wat het precieze probleem is.

Uiteindelijk gaat het alleen om de kwaliteit van de bijles. Die kwaliteit is niet gewaarborgd als het om een groter instituut gaat of wanneer de hoofdprijs wordt betaald, maar heeft te maken met de lesmethode die wordt gehanteerd, het vermogen van de bijlesleraar om goed te kunnen uitleggen, het kunnen signaleren en oplossen van eventuele leerproblemen en kennis van zaken als het gaat om lesmateriaal.

Uitgangspunt van bijles aan leerlingen van het voortgezet onderwijs is, naast de genoemde zaken, dat er veel aandacht wordt besteed aan het aanleren van een betere studiemethode, zodat de leerling uiteindelijk zelf in staat is op een effectieve manier te studeren. Leren om te leren staat aan de basis voor succes op school. Met betrekking tot de keuze van een bijlesinstituut als het gaat om voorbereiding op de entree- of Cito-toets op de basisschool, kan het verstandig zijn om te vragen naar een ‘track-record’; prestaties in het verleden bieden in dit geval wel degelijk garanties voor de toekomst.

Huiswerkbegeleiding heeft meestal niet zo veel met bijles te maken, maar is in veel gevallen een veredelde kinderopvang. Meestal gaat het er om dat de ouders er zeker van willen zijn dat hun kind voldoende tijd aan huiswerk besteedt. Juist in de huiswerkklassen zou het accent moeten liggen op het aanleren van ‘leren om te leren’; het gebrek aan deze vaardigheid is immers de reden dat deze leerlingen überhaupt aanwezig zijn. In principe kan de leerling in de huiswerkklas wel om uitleg vragen, maar enig initiatief voor meer persoonlijke begeleiding of een specifiek lesprogramma ontbreekt meestal. Vreemd eigenlijk, want een goede bijles draait juist om persoonlijke begeleiding.

Leerproblemen & Labels

Kinderen krijgen steeds meer prikkels te verwerken, docenten signaleren vaker leerproblemen of gedragsstoornissen, de samenleving wordt steeds ingewikkelder en er is een steeds toenemende druk op kinderen om te presteren. Dat zijn de belangrijkste oorzaken voor de groei van het aantal kinderen dat een probleemlabel krijgt opgeplakt.

Het tv-programma Rondom 10 (uitzending zaterdag 1 mei om 21:10 uur op Ned2) en CNV onderwijs hebben onder ruim 2300 leraren van de basisschool een onderzoek gehouden over ‘scholieren met labels’. Reden voor het onderzoek was dat de laatste jaren steeds meer leerlingen een etiket krijgen opgeplakt. Vroeger werden deze kinderen gewoon druk, lastig, verlegen of minder slim genoemd.

Ruim 63% van de leraren op basisscholen meent dat zij onvoldoende zijn opgeleid om kinderen met een label in de klas goed te kunnen begeleiden. Omdat er in bepaalde klassen veel kinderen met een leerprobleem of gedragsstoornis zijn, heeft dit tot gevolg dat hun klasgenoten daaronder lijden. Ruim 80% van de docenten vindt dat kinderen met een etiket tot een grotere werkdruk leiden.

Hoewel de docenten zich dus niet in staat achten op een passende wijze met de situatie om te gaan, meent 62% dat het labelen van kinderen vanwege een probleem of stoornis een goede ontwikkeling is en dat de betreffende kinderen in hun klas terecht een probleemlabel hebben (77%). Ook vindt ruim 72% van de ondervraagden dat de extra zorg en aandacht voor labelkinderen een positieve invloed op hun leven heeft.

Al eerder bleek uit een onderzoek van de Radboud Universiteit dat leraren vinden dat ze onvoldoende zijn opgeleid voor passend onderwijs. Er zullen meer investeringen (in plaats van bezuinigingen) in het basisonderwijs nodig zijn om bovenstaande problemen te kunnen oplossen. De belangrijkste investering zal dan moeten plaatsvinden in het verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleiding en een (verplichte) bijscholing van bestaande docenten.

Er zal ook moeten worden nagedacht over de directe gevolgen voor het kind, dat zichzelf in een relatief uitzichtloze situatie geplaatst ziet waar het grootste deel van de docenten blijkbaar geen geschikte oplossing voor heeft. Eén van die gevolgen – en naar mijn idee het belangrijkste – is het verder afnemen van het zelfvertrouwen van dat kind. ‘Probleemkinderen’ zijn zich er terdege van bewust dat ze een buitenbeentje zijn. In het didactische systeem van nu, waar veel in groepjes wordt gewerkt en leerlingen veel zelfstandig moeten uitzoeken, wordt dat aspect alleen maar benadrukt. Meer tijd en aandacht is een voorwaarde voor een goede oplossing.

Beter onderwijs levert geld op

Het onderwijs kan beter. Van de bijna twee en een half miljoen leerlingen die dagelijks de scholen voor basis en voortgezet onderwijs bezoeken, presteren de meesten op het niveau dat ze aankunnen. Maar, ruim 10% van de leerlingen presteert onder hun niveau. Als je kijkt naar hun cognitieve aanleg, halen ze minder hoge cijfers dan ze kunnen.

Er zijn dus, volgens een onderzoek van de onderwijsraad,  heel veel leerlingen die, gelet op hun aanleg, beter op school kunnen presteren dan ze doen. De omvang van het percentage onderpresterende leerlingen varieert van 10 tot 18% van de leerlinggroep, afhankelijk van de gekozen vergelijkingsmaatstaf.  Blijkbaar kan er in veel gevallen een beter match worden gemaakt tussen de eisen van het onderwijs en de mogelijkheden van een leerling. Want de mogelijkheden worden door onvolledig onderwijs niet optimaal benut.

Het ontdekken en stimuleren van talenten is een taak van het onderwijs. Dat ligt zeker voor de hand bij toptalent op het cognitieve vlak, maar ook voor de gemiddeld en minder begaafden moet de school zo goed mogelijk gunstige condities scheppen. Het onderwijs moet er naar streven bij elke leerling er uit te halen wat er in zit. De vraag is of het onderwijssysteem in Nederland talent voldoende herkent en kansen biedt. Het merendeel van de leerlingen presteert naar vermogen, maar er zijn leerlingen – hoe intelligent ook – die dat niet doen. Nog te weinig leerlingen bereiken voldoende toegerust het hoger onderwijs. Oorzaken daarvoor heb ik al eerder beschreven: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs. Talent moet worden gestimuleerd en als dat onvoldoende gebeurt is onderbenutting één van de gevolgen.

Dat incompetenties en onderbenutting in het basis- en voortgezet onderwijs moeten worden aangepakt is duidelijk. Maar ook economisch loont het zeer de moeite de kwaliteit van het onderwijs aan te scherpen: schattingen van de onderwijsraad geven bijvoorbeeld aan dat het wegwerken van (alleen al) taalachterstanden bij de huidige onderpresteerders in het basisonderwijs, 15 tot 18% van de leerlingen, tot een inkomenstoename van meer dan 2,5 miljard euro voor deze leerlingen zou leiden. Daarbij komen nog andere maatschappelijke baten, zoals besparingen op de kosten van gezondheidszorg, sociale zekerheid, criminaliteit en dergelijke. Er is werk aan de winkel…

Het slaapprobleem van pubers

Een puber gaat graag laat naar bed. En dat heeft zo z’n gevolgen voor gedrag en prestaties. Zelf ben ik ’s avonds regelmatig bezig mijn 14-jarige dochter te bewegen naar haar kamer te gaan om alvast te gaan douchen. Na het douchen volgt dan automatisch de gang naar bed. Maar steeds gaat het met tegenzin: “Op MSN is de hele wereld nog wel wakker, dus waarom moet ik zo vroeg naar bed?”.

Door hormonale veranderingen, een biologische klok en tal van sociale redenen hebben pubers de neiging laat naar bed te gaan. Bovendien voelt een puber zich geen kind meer: kinderen stuur je vroeg naar bed, bij pubers kan dat niet meer. Het zijn al bijna volwassenen, althans, dat denken ze.  Maar ja, laat naar bed betekent ook een tekort aan slaap, want de volgende morgen gaat toch echt die wekker weer af. Uit ontwikkelingsstudies blijkt dat pubers, omdat ze nog in de groei zijn, meer slaap nodig hebben dan volwassenen. Door de hormonale veranderingen hebben ze zelfs meer slaap nodig dan kinderen op de basisschool.

Een (chronisch) tekort aan slaap leidt, volgens een onderzoek van Columbia University in New York, tot gedragsproblemen of zelfs depressies: tieners die van hun ouders vóór 10 uur ’s avonds naar bed moesten, bleken 24 procent minder kans te hebben op een depressie dan pubers die tot 12 uur of later mochten opblijven. Van de tieners die maar 4 tot 5 uur per nacht sliepen, had zelfs 70 % meer kans op een depressie.

Zo bestaat er ook een duidelijk verband tussen slaaptekort en prestaties op school. Hoewel een adolescent voor optimale prestaties en een goede concentratie 9 uur slaap nodig heeft, is gebleken dat scholieren gemiddeld 7,3 uur per nacht slapen. Een onderzoek onder 3000 scholieren heeft uitgewezen dat leerlingen met veel onvoldoendes gemiddeld 25 minuten minder slaap kregen en 40 minuten later naar bed gingen dan leerlingen met goede cijfers.

Te veel leerlingen die om half negen in de schoolbanken zitten, hebben hun hersens nog op het kussen liggen. Ze zien er uit als wandelende zombies maar moeder natuur weerhoudt hen ervan vroeger naar bed te gaan. In Amerika zijn er al scholen die een uur later dan gebruikelijk beginnen met de lessen. Het past beter bij het biologisch ritme van de leerlingen en het heeft, ook weer volgens een onderzoek, zichtbaar gevolgen voor de prestaties. Het cognitieve brein – waar de denkkracht vandaan komt die je op school nodig hebt – doet dan duidelijk beter zijn werk. Misschien moeten we op het voortgezet onderwijs in Nederland ook maar een uur later beginnen; het slaapgedrag van pubers is misschien niet effectief te beïnvloeden maar de schoolprestaties zullen er duidelijk baat bij hebben.

Basisonderwijs en de incompetentie van de PABO-competentielijst

Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van het onderwijs. Het reken- en taalniveau op de basisscholen is vaak ondermaats en veel mensen hebben daar iets over te zeggen. Oplossingen worden soms genoemd, maar vooralsnog blijkt de situatie zich niet te verbeteren.

Er zijn drie probleemgebieden: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs.
De rekenvaardigheid op de basisschool is ondermaats, mede door onvoldoende vakkennis bij leraren. Het gehanteerde systeem van ‘realistisch rekenen’ heeft er blijkbaar niet aan bijgedragen de problemen te verhelpen. Sterker nog, taalzwakke leerlingen hebben een extra probleem omdat de meeste sommen in verhaalvorm worden gegoten. Een onderzoek aan de universiteit van Ohio heeft laatst aangetoond dat het gebruik van concrete voorbeelden, verhaalsommen dus, contraproductief werkt: een leerling die een wiskundige theorie leert aan de hand van voorbeelden, zal volgens het onderzoek moeite hebben de theorie opnieuw toe te passen in een andere vragencontext. Kinderen beschikken ook over onvoldoende vaardigheden met betrekking tot begrijpend lezen: begrip van grammatica is een hekel punt. Eén en ander zorgt er voor dat de aansluiting van de basisschool op het voortgezet onderwijs niet goed genoeg is, maar ook de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hogere beroepsonderwijs vraagt verbetering.

De structuur van de PABO-opleiding moet op de schop. Het grootste probleem van deze lerarenopleiding is dat gediplomeerden niet voldoen aan de criteria die zouden moeten gelden voor een goede onderwijzer. De competentielijst die de PABO hanteert (het aantal vaardigheden dat een toekomstige leraar zou moeten beheersen) omvat voornamelijk onderdelen op gebieden als pedagogie, didactiek, communicatieve vaardigheden en management.

Bron:Competentie- en scoringslijst ten behoeve van Assessments en Integrale Beoordelingsmomenten PABO 2006/2007

Natuurlijk zou een docent zónder deze competenties niet geschikt zijn voor het onderwijs, maar het is toch op z’n minst opvallend dat er van alle (21!) competenties slechts één is die echt ingaat op de reken- en taalvaardigheden van de student: ‘kennis van de vakgebieden’. De belangrijkste vaardigheid die een pabo-student zich eigen zou moeten maken blijft in de opleiding dus onderbelicht.

Maar ook de basisscholen zelf nemen te weinig initiatief tot verbetering. Nascholing van bestaande docenten staat vreemd genoeg op een veel te laag pitje, terwijl er van overheidswege wel gelden beschikbaar voor zijn gesteld. Waarschijnlijk komt dit door de invoering van de Lumpsum-financiering, die inhoudt dat de overheid één budget aan een school geeft dat ‘vrij besteed’ kan worden (het basisonderwijs ontving in 2008 60 miljoen euro meer dan het uitgaf!). Ook zou het primair onderwijs op de eerste plaats een onderwijsinstelling moeten zijn, maar te vaak wordt de nadruk gelegd op opvoedingszaken. Het is een opvoedrol die scholen wordt opgedrongen door de overheid. Dat is niet altijd verkeerd, maar het sluit niet aan op de Cito-toets en de entreetoets, waarin kinderen gewoon keihard worden beoordeeld op hun kennis van rekenen en taal.

In de huidige discussie over het onderwijs is, bij monde van staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs), al gesteld dat de structuur van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs moet veranderen om het taal- en rekenonderwijs te verbeteren. Zij heeft met de HBO-raad afgesproken dat vaardigheden en kennis van toekomstige leraren moeten worden vastgelegd in kennisbases en vaardigheden van kinderen in kerndoelen. Het zijn plannen voor de toekomst, maar logge bestuursorganen en vastgeroeste structuren verhinderen nog steeds een snelle implementatie.
Toch dient er in het basisonderwijs snel een stevige basis te worden gelegd middels goed onderwijs in rekenen en taal. Op de basisschool worden immers de eerste fundamenten gelegd voor de verdere toekomst van een kind. Zonder deze fundamenten worden de aanwezige capaciteiten bij de leerling niet volledig tot ontplooiing gebracht, wordt de overgang naar het voortgezet onderwijs onnodig bemoeilijkt en worden de potentiële toekomstmogelijkheden van het kind beperkt. De criteria die door de basisschool gehanteerd worden voor het bepalen van het niveau van de vervolgopleiding – Leerling Volg Systeem, entreetoets en Cito-toets – geven zonder die goede basis nu een onvolledig beeld van potentiële capaciteiten van een leerling.

Wat zijn de mogelijke oplossingen? Op de PABO zal de competentie ‘kennis van de vakgebieden’ een veel zwaarder gewicht moeten krijgen door meer lesuren aan taal- en rekenvaardigheden te besteden. Dit zal resulteren in kwalitatief beter opgeleide docenten en dus ook in betere prestaties van leerlingen op de basisschool. Een toenemende kwaliteit in het onderwijs zal dan wel tot uiting moeten komen in een betere salariëring van een docent. Ook het toelatingsbeleid voor de PABO-opleiding zal aan strengere eisen moeten gaan voldoen. Bovendien dient het op orde brengen van de basisvaardigheden al in de eerste twee jaren van de pabo-opleiding de hoogste prioriteit te hebben. Dit moet zijn gebeurd voordat studenten aan stages op basisscholen beginnen; het kan natuurlijk niet zo zijn, dat een leraar in spé gemiddeld slechter rekent dan een goede leerling uit groep 8.
Verder zal de lerarenopleiding terug moeten naar de oude structuur van kweekschool en pabo. Er is geen reden waarom een kleuterleerkracht rekensommen van groep 8 moet kunnen uitleggen. Omgekeerd hebben veel toekomstige leraren geen zin om zo lang een studie te volgen waar je ook wordt opgeleid om te leren plakken en knippen met kleuters.
Deze verbeteringen zullen mede tot gevolg hebben dat het aantrekkelijker wordt om te kiezen voor een baan in het primair onderwijs. Het nog steeds afnemende aantal nieuwe pabo-studenten kan dan een halt worden toegeroepen.

Het op de basisschool herinvoeren van het traditioneel rekenen en de lat hoger leggen door beter, maar ook méér reken- en taalonderwijs is een tweede verbetering. Beter taalonderwijs kan worden gerealiseerd door o.a. de lessen in grammatica uit te breiden; het eindoel in groep 8 voor bijvoorbeeld zinsontleding gaat nu niet verder dan het behandelen van het lijdend voorwerp. Meer en vollediger grammaticaal onderwijs zal resulteren in betere resultaten op gebieden als begrijpend lezen en taalbegrip.
Tenslotte zal de standaard in het basisonderwijs ook moeten worden verhoogd; er zal meer tijd en geld moeten worden vrijgemaakt voor nascholing van leraren.
Een combinatie van al deze veranderingen zal leiden tot een structureel beter basisonderwijs en beter voorbereide kinderen in Nederland.

CITO stress…?

De meeste kinderen die bij ons bijlessen volgen ter voorbereiding op de cito-toets zijn er helemaal klaar voor. De leerachterstanden zijn weggewerkt en de basis voor een goed begrip van taal en rekenen is gelegd. De laatste 4 weken gaat het er om de puntjes op de i te zetten.

Het accent van de bijlessen ligt op het wegwerken van leerachterstand, het zorgen voor een brede (kennis)basis op het gebied van spelling, begrijpend lezen en rekenen en het geven van zelfvertrouwen aan de leerling. Zonder een goed gevormde basis is het moeilijk om verder te komen. Alleen oefenen met opgaven uit oude cito-toetsen heeft slechts beperkte zin; er wordt alleen een korte-termijneffect mee bereikt. En een tijdelijke piek in de prestaties is niet iets om na te streven. Integendeel, een brede basis en doelgerichte aandacht zorgen in de eerste plaats voor een maximaal rendement en in de tweede plaats wordt het (opnieuw) oplopen van een achterstand voorkomen.

Maar goed, momenteel wordt alle aandacht wel opgeëist door de cito-toets. Wat wordt er allemaal gevraagd in deze drie dagen? Een kleine samenvatting:

Het onderdeel wereldoriëntatie telt niet mee voor de uiteindelijke score. Er blijven dus 200 vragen over die voor de score even zwaar meetellen. Met 100 vragen telt het onderdeel taal dus het zwaarst (50%) mee in de toets. Het verdient aanbeveling nog een keertje de regels voor werkwoordspelling door te nemen (tegenwoordige tijd-verleden tijd-voltooid deelwoord). Ook het lezen van nog één of twee boeken voor eind januari kan eigenlijk alleen maar goed doen voor het -relatief grote onderdeel- begrijpend lezen. Voor oefenen op het onderdeel rekenen kan ik u verwijzen naar een eerdere post.

Zoals al eerder besproken, wordt de invloed van de cito-score op de keuze voor een vervolgschool in het voortgezet onderwijs steeds kleiner. En daarmee waarschijnlijk ook de hype van de cito-toets. De alomvattende aandacht die ook de media elk jaar in februari aan de cito-toets geven, zal kleiner worden. Het accent zal verschuiven naar de entreetoets: de basisschool zal na deze toets al met een advies voor schoolkeuze komen.