Tagarchief: competentielijst

Leerproblemen & Labels

Kinderen krijgen steeds meer prikkels te verwerken, docenten signaleren vaker leerproblemen of gedragsstoornissen, de samenleving wordt steeds ingewikkelder en er is een steeds toenemende druk op kinderen om te presteren. Dat zijn de belangrijkste oorzaken voor de groei van het aantal kinderen dat een probleemlabel krijgt opgeplakt.

Het tv-programma Rondom 10 (uitzending zaterdag 1 mei om 21:10 uur op Ned2) en CNV onderwijs hebben onder ruim 2300 leraren van de basisschool een onderzoek gehouden over ‘scholieren met labels’. Reden voor het onderzoek was dat de laatste jaren steeds meer leerlingen een etiket krijgen opgeplakt. Vroeger werden deze kinderen gewoon druk, lastig, verlegen of minder slim genoemd.

Ruim 63% van de leraren op basisscholen meent dat zij onvoldoende zijn opgeleid om kinderen met een label in de klas goed te kunnen begeleiden. Omdat er in bepaalde klassen veel kinderen met een leerprobleem of gedragsstoornis zijn, heeft dit tot gevolg dat hun klasgenoten daaronder lijden. Ruim 80% van de docenten vindt dat kinderen met een etiket tot een grotere werkdruk leiden.

Hoewel de docenten zich dus niet in staat achten op een passende wijze met de situatie om te gaan, meent 62% dat het labelen van kinderen vanwege een probleem of stoornis een goede ontwikkeling is en dat de betreffende kinderen in hun klas terecht een probleemlabel hebben (77%). Ook vindt ruim 72% van de ondervraagden dat de extra zorg en aandacht voor labelkinderen een positieve invloed op hun leven heeft.

Al eerder bleek uit een onderzoek van de Radboud Universiteit dat leraren vinden dat ze onvoldoende zijn opgeleid voor passend onderwijs. Er zullen meer investeringen (in plaats van bezuinigingen) in het basisonderwijs nodig zijn om bovenstaande problemen te kunnen oplossen. De belangrijkste investering zal dan moeten plaatsvinden in het verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleiding en een (verplichte) bijscholing van bestaande docenten.

Er zal ook moeten worden nagedacht over de directe gevolgen voor het kind, dat zichzelf in een relatief uitzichtloze situatie geplaatst ziet waar het grootste deel van de docenten blijkbaar geen geschikte oplossing voor heeft. Eén van die gevolgen – en naar mijn idee het belangrijkste – is het verder afnemen van het zelfvertrouwen van dat kind. ‘Probleemkinderen’ zijn zich er terdege van bewust dat ze een buitenbeentje zijn. In het didactische systeem van nu, waar veel in groepjes wordt gewerkt en leerlingen veel zelfstandig moeten uitzoeken, wordt dat aspect alleen maar benadrukt. Meer tijd en aandacht is een voorwaarde voor een goede oplossing.

Basisonderwijs en de incompetentie van de PABO-competentielijst

Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van het onderwijs. Het reken- en taalniveau op de basisscholen is vaak ondermaats en veel mensen hebben daar iets over te zeggen. Oplossingen worden soms genoemd, maar vooralsnog blijkt de situatie zich niet te verbeteren.

Er zijn drie probleemgebieden: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs.
De rekenvaardigheid op de basisschool is ondermaats, mede door onvoldoende vakkennis bij leraren. Het gehanteerde systeem van ‘realistisch rekenen’ heeft er blijkbaar niet aan bijgedragen de problemen te verhelpen. Sterker nog, taalzwakke leerlingen hebben een extra probleem omdat de meeste sommen in verhaalvorm worden gegoten. Een onderzoek aan de universiteit van Ohio heeft laatst aangetoond dat het gebruik van concrete voorbeelden, verhaalsommen dus, contraproductief werkt: een leerling die een wiskundige theorie leert aan de hand van voorbeelden, zal volgens het onderzoek moeite hebben de theorie opnieuw toe te passen in een andere vragencontext. Kinderen beschikken ook over onvoldoende vaardigheden met betrekking tot begrijpend lezen: begrip van grammatica is een hekel punt. Eén en ander zorgt er voor dat de aansluiting van de basisschool op het voortgezet onderwijs niet goed genoeg is, maar ook de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hogere beroepsonderwijs vraagt verbetering.

De structuur van de PABO-opleiding moet op de schop. Het grootste probleem van deze lerarenopleiding is dat gediplomeerden niet voldoen aan de criteria die zouden moeten gelden voor een goede onderwijzer. De competentielijst die de PABO hanteert (het aantal vaardigheden dat een toekomstige leraar zou moeten beheersen) omvat voornamelijk onderdelen op gebieden als pedagogie, didactiek, communicatieve vaardigheden en management.

Bron:Competentie- en scoringslijst ten behoeve van Assessments en Integrale Beoordelingsmomenten PABO 2006/2007

Natuurlijk zou een docent zónder deze competenties niet geschikt zijn voor het onderwijs, maar het is toch op z’n minst opvallend dat er van alle (21!) competenties slechts één is die echt ingaat op de reken- en taalvaardigheden van de student: ‘kennis van de vakgebieden’. De belangrijkste vaardigheid die een pabo-student zich eigen zou moeten maken blijft in de opleiding dus onderbelicht.

Maar ook de basisscholen zelf nemen te weinig initiatief tot verbetering. Nascholing van bestaande docenten staat vreemd genoeg op een veel te laag pitje, terwijl er van overheidswege wel gelden beschikbaar voor zijn gesteld. Waarschijnlijk komt dit door de invoering van de Lumpsum-financiering, die inhoudt dat de overheid één budget aan een school geeft dat ‘vrij besteed’ kan worden (het basisonderwijs ontving in 2008 60 miljoen euro meer dan het uitgaf!). Ook zou het primair onderwijs op de eerste plaats een onderwijsinstelling moeten zijn, maar te vaak wordt de nadruk gelegd op opvoedingszaken. Het is een opvoedrol die scholen wordt opgedrongen door de overheid. Dat is niet altijd verkeerd, maar het sluit niet aan op de Cito-toets en de entreetoets, waarin kinderen gewoon keihard worden beoordeeld op hun kennis van rekenen en taal.

In de huidige discussie over het onderwijs is, bij monde van staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs), al gesteld dat de structuur van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs moet veranderen om het taal- en rekenonderwijs te verbeteren. Zij heeft met de HBO-raad afgesproken dat vaardigheden en kennis van toekomstige leraren moeten worden vastgelegd in kennisbases en vaardigheden van kinderen in kerndoelen. Het zijn plannen voor de toekomst, maar logge bestuursorganen en vastgeroeste structuren verhinderen nog steeds een snelle implementatie.
Toch dient er in het basisonderwijs snel een stevige basis te worden gelegd middels goed onderwijs in rekenen en taal. Op de basisschool worden immers de eerste fundamenten gelegd voor de verdere toekomst van een kind. Zonder deze fundamenten worden de aanwezige capaciteiten bij de leerling niet volledig tot ontplooiing gebracht, wordt de overgang naar het voortgezet onderwijs onnodig bemoeilijkt en worden de potentiële toekomstmogelijkheden van het kind beperkt. De criteria die door de basisschool gehanteerd worden voor het bepalen van het niveau van de vervolgopleiding – Leerling Volg Systeem, entreetoets en Cito-toets – geven zonder die goede basis nu een onvolledig beeld van potentiële capaciteiten van een leerling.

Wat zijn de mogelijke oplossingen? Op de PABO zal de competentie ‘kennis van de vakgebieden’ een veel zwaarder gewicht moeten krijgen door meer lesuren aan taal- en rekenvaardigheden te besteden. Dit zal resulteren in kwalitatief beter opgeleide docenten en dus ook in betere prestaties van leerlingen op de basisschool. Een toenemende kwaliteit in het onderwijs zal dan wel tot uiting moeten komen in een betere salariëring van een docent. Ook het toelatingsbeleid voor de PABO-opleiding zal aan strengere eisen moeten gaan voldoen. Bovendien dient het op orde brengen van de basisvaardigheden al in de eerste twee jaren van de pabo-opleiding de hoogste prioriteit te hebben. Dit moet zijn gebeurd voordat studenten aan stages op basisscholen beginnen; het kan natuurlijk niet zo zijn, dat een leraar in spé gemiddeld slechter rekent dan een goede leerling uit groep 8.
Verder zal de lerarenopleiding terug moeten naar de oude structuur van kweekschool en pabo. Er is geen reden waarom een kleuterleerkracht rekensommen van groep 8 moet kunnen uitleggen. Omgekeerd hebben veel toekomstige leraren geen zin om zo lang een studie te volgen waar je ook wordt opgeleid om te leren plakken en knippen met kleuters.
Deze verbeteringen zullen mede tot gevolg hebben dat het aantrekkelijker wordt om te kiezen voor een baan in het primair onderwijs. Het nog steeds afnemende aantal nieuwe pabo-studenten kan dan een halt worden toegeroepen.

Het op de basisschool herinvoeren van het traditioneel rekenen en de lat hoger leggen door beter, maar ook méér reken- en taalonderwijs is een tweede verbetering. Beter taalonderwijs kan worden gerealiseerd door o.a. de lessen in grammatica uit te breiden; het eindoel in groep 8 voor bijvoorbeeld zinsontleding gaat nu niet verder dan het behandelen van het lijdend voorwerp. Meer en vollediger grammaticaal onderwijs zal resulteren in betere resultaten op gebieden als begrijpend lezen en taalbegrip.
Tenslotte zal de standaard in het basisonderwijs ook moeten worden verhoogd; er zal meer tijd en geld moeten worden vrijgemaakt voor nascholing van leraren.
Een combinatie van al deze veranderingen zal leiden tot een structureel beter basisonderwijs en beter voorbereide kinderen in Nederland.