Tagarchief: cito 2012

Cito-toets 2013 – wat je moet weten (deel 5)

Het onderdeel studievaardigheden heeft voor een deel met algemene kennis te maken, maar voor het grootste deel met logisch nadenken en met het opzoeken van informatie in een stuk tekst, grafieken of tabellen.

Een vraag die elk jaar weer in de Cito-toets voorkomt, heeft te maken met wat je wel en niet kunt opzoeken in een encyclopedie. Over onderwerpen als ‘het ontstaan van vulkanen’ en ‘de geschiedenis van de computer’ kun je natuurlijk alles in een encyclopedie vinden. Dat geldt niet voor onderwerpen als ‘de opstand van vandaag in Egypte’ (een actuele gebeurtenis die wel in de krant is te vinden) of ‘basisschool ABC’ . Een ander veelvoorkomend onderwerp is het op alfabetische volgorde zetten van woorden. Een paar voorbeelden:

Vragen over de indeling van een boek komen ook regelmatig voor in de Cito-toets. Waar staat welke informatie? Grofweg bestaat een boek uit de volgende onderdelen:

Het antwoord op de vragen over alfabetische volgorde en over de encyclopedie was in beide gevallen antwoord c. Meer informatie (en een oefentoets) over studievaardigheden vind je hier en hier.

(Uit: Oefenboek voor de Cito-toets)

Cito-toets 2012 – wat je moet weten (deel 3)

In de Cito-toets zijn opgaven met cirkeldiagrammen altijd ruim vertegenwoordigd. De diagrammen kunnen worden weergegeven met procenten, met breuken of gewoon met aantallen. In procenten gemeten, is de hele cirkel altijd 100%. 1/3 deel van de cirkel is dan 33,3% en zo is bijvoorbeeld 1/7 deel van de cirkel (zie de figuur hierboven) ongeveer gelijk aan 14 %.

Een voorbeeld van een cirkeldiagram met aantallen zie je hieronder:

Het is ook mogelijk om van een staafdiagram een cirkeldiagram te maken. In het voorbeeld hieronder kan bijvoorbeeld het gedeelte van de staafdiagram dat over ‘beeldende kunst’ gaat, ook worden weergegeven in een cirkeldiagram:

Aan beeldende kunst is in drie jaar tijd totaal € 80.000 uitgegeven: in 2004 € 40.000 (= 4/8 deel), in 2005 € 10.000 (= 1/8 deel) en in 2006 € 30.000 (=3/8 deel). Hieronder zie je deze verdeling in een cirkeldiagram:


Cito-toets 2012 – wat je moet weten (deel 2)

Teksten en gatenteksten zijn een vast en steeds prominenter onderdeel van de Cito-toets. Van de 100 vragen waar het onderdeel taal uit bestaat, gaan er 60 over begrijpend lezen, in de vorm van teksten met tekstvragen en gatenteksten.

Bij veel tekstvragen word je gevraagd één of twee regels te lezen en daar een vraag over te beantwoorden. Het is belangrijk dat je dan niet alleen die twee regels leest, maar ook het stukje erboven en de regels eronder. Wanneer er bijvoorbeeld staat: ‘lees r.19 t/m r. 21’,  begin dan te lezen bij regel 15 en lees door tot regel 25. Dan heb je de beste indruk van wat er wordt verteld en kun je de vraag beter beantwoorden.

Vragen over de stijl van schrijven komen vaak voor bij Cito-teksten. Voorbeelden hiervan zijn: 1. Welke zin valt uit de toon als je let op het taalgebruik in de tekst? 2. Welk stuk tekst had de schrijver uit de tekst kunnen weglaten? Het antwoord op de eerste vraag heeft meestal te maken met overdreven deftig of moeilijk taalgebruik; bij de tweede vraag gaat het meestal over een paar zinnen die overbodig zijn of niets met het onderwerp van de tekst te maken hebben.

Soms wordt gevraagd waar de schrijver met een nieuwe alinea had moeten beginnen. Alles wat met een onderwerp te maken heeft, staat in één alinea. Wanneer het onderwerp verandert, moet met een nieuwe alinea worden begonnen. Een andere, veel voorkomende vraag is wat er dubbelop is in een bepaalde zin. Voorbeelden hiervan zijn: ‘Daarom had zij om die reden geen boodschappen gedaan’, of: ‘Gooien jullie die folders meteen onmiddellijk in de afvalbak?’

Bij gatenteksten zijn uit de tekst stukjes weggelaten. Op de plaats waar die stukjes stonden staat nu een streep met een nummer. Je kunt steeds uit 4 mogelijkheden kiezen welk stukje het best op de plaats van de streep past. Net als bij teksten moet je ook nu een paar regels boven de streep beginnen met lezen. Vaak staat het stukje dat op de plaats van de streep moet komen, uitgelegd in de regels na de streep. Een voorbeeld:

Cito-toets 2013 – wat je moet weten (deel 1)

Goed kunnen rekenen met procenten is natuurlijk een vereiste voor de Cito-toets. Goed om te weten is dat procenten eigenlijk hetzelfde zijn als breuken; 12% betekent niets anders dan 12/100, oftewel 12 van de honderd. 12/100 kun je dan weer vereenvoudigen (kleiner maken) door zowel teller als noemer door 4 te delen: 3/25. Omgekeerd kun je natuurlijk van een breuk eenvoudig een percentage maken:  12/25 is hetzelfde als 48/100 (teller en noemer met 4 vermenigvuldigen, want procent betekent ‘van de 100’). 48/100 is dus 48%.

In de Cito-toets kunnen opgaven over procenten op een aantal verschillende manieren worden gesteld. Van de vaak voorkomende soorten zie je hieronder een voorbeeld:

BeterBijles.nl – procenten