Tagarchief: basisonderwijs

Specialisatiedag begrijpend lezen

Begrijpend lezen oefenen: op zaterdag 18 april organiseren wij een specialisatiedag begrijpend lezen voor leerlingen in groep 7 en 8. Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar!

Begrijpend lezen is het belangrijkste onderdeel op school. Dit geldt zowel voor de basisschool als voor het voortgezet onderwijs. Weten hoe je een tekst moet aanpakken, hoe je de kernzin uit een alinea haalt, hoe je een tekst moet samenvatten of hoe je fouten uit een tekst haalt, geeft je een grote voorsprong met begrijpend lezen.

Op de specialisatiedag, die duurt van 10:00 tot 16:00 uur, worden de belangrijkste tekstsoorten behandeld: informatieteksten, meningteksten, tekstbegripteksten en doe-teksten. Uiteraard wordt ook de vorm behandeld zoals het Cito deze teksten bevraagd: verhaalteksten, foutenteksten en gatenteksten.

De kosten van de specialisatiedag bedragen € 165,00.Wilt u uw kind aanmelden voor deze dag? Stuur dan e-mail naar info@beter-bijles.nl. Tot 18 april!

Schermafbeelding 2015-03-27 om 12.23.04

Wij zijn met z’n allen heel erg voor goed onderwijs …

Jee, wat zijn we lekker aan het brainstormen over onderwijs met z’n allen! Van onderwijs hebben alle 16,8 miljoen Nederlanders verstand, dat treft. Onderwijs kan altijd stukken beter, dus iedereen heeft altijd een beetje gelijk. Wij zijn met z’n allen heel erg voor heel goed onderwijs, net zoals we hartgrondig tégen kanker zijn. Goed hè, van ons?

Staatssecretaris Dekker van Onderwijs betwijfelt of kinderen nog wel de juiste dingen leren op school. In 2032, als de kleuters van nu aan hun eerste baan beginnen, zal de wereld immers compleet anders zal zijn dan nu. Dekker mist ‘een samenhangende visie’ over de inhoud van onderwijs en roept iedereen op hem met ideeën te voeden.

Zou er ooit een samenhangende visie zijn ontwikkeld door miljoenen meepraters? De ideeëntrommel loopt al aardig vol. Ook nu mogen door een reclamebureau geselecteerde bekende Nederlanders op filmpjes vertellen wat er moet veranderen aan onderwijs, terwijl het klootjesvolk hun duiten in de Twitter-zak mag werpen.

De wereld verandert razendsnel, dús moet het onderwijs als een dolle mee veranderen. Toch?

Verrassend: techneuten wijzen op de onontbeerlijk aandacht voor techniek, VVD’ers bepleiten het vak ondernemerschap, iPadproducenten bestempelen alles wat zonder scherm gebeurt als achterlijk, historici promoten hun gesmade vak, de Hartstichting wil lessen reanimatie. Ha, daar hebben we de lobbyisten van mindfullness op school, de duurzaamheidsprofeten, de voorstanders van meer sport/ yoga/tuinieren/kleien/blokfluiten op school. De commerciële onderwijsbureaus ruiken een kans de mythe van het zelfstandig lerende, zelfsturende kind op te poetsen. Ieder zijn belangetje.

Ook het kind komt aan het woord, in een propagandafilmpje. Dat jochie roept niet baldadig: ‘Elke middag eerder vrij! Gratis snoep!’, maar verzekert ons dat in zijn toekomst alles anders gaat, want hij werkt straks niet meer in een fabriek (hij is geen robot). Hij leert meer van internet dan van zijn schoolboek. Hij mijmert: ‘Moeten kinderen vooral taal en rekenen leren, of is er méér?’ Moeten ze meer Engels leren, en ook Chinees? Programmeren? De toon van zijn vragen is zo dat wij snappen dat wij Ja, ja! moeten roepen. De wereld verandert razendsnel, dús moet het onderwijs als een dolle mee veranderen. Toch?

Ik weet ook een paar retorische vragen. Wie heeft er verstand van lerende kinderen? Wie werkt dagelijks met leerlingen, legt de basis voor wat zij weten en kunnen? Ik las een interessante tweet van Sander Dekker: ‘Ook leraren denken natuurlijk mee over #onderwijs2032!’

Onderwijs dient niet om nieuw werkvee, voor de lopende band van de economie, aan te leveren

Dat is inderdaad opmerkelijk. Bij alle grote vorige veranderingen in het onderwijs, zoals de Tweede Fase en het Studiehuis, en het vrijwel landelijk ingevoerde competentieleren in het mbo en hbo, is de leraar stelselmatig genegeerd. En al helemaal bij de grootste en slechtste wijziging, begin jaren tachtig, toen de verantwoordelijkheid voor het onderwijs geheel aan de schoolbesturen werd overgedragen. Net als de semi-privatisering van de ouderenzorg heeft die wijziging noch geleid tot een beter ‘product’ voor de afnemer, noch tot meer autonomie van de professional. Deze werd volkomen afhankelijk van zijn schoolbestuurders, die hem via het management dicteerden wat hij moest doen. Weg met de eigenwijze koninkjes in hun klaslokalen! Hoogopgeleide leraren waren duur en lastig, leraren die hoge eisen stelden eveneens.

Daarover zou de discussie eens moeten gaan. Net als hun voorgangers praten Dekker en Bussemaker niet met leraren, maar met hun werkgevers in de onderwijsraden. Daarom klinkt het ‘tegeltje’ dat Dekker bijdroeg aan de discussie ook zo cynisch: ‘Als je dingen moet doen waarvan je denkt dat ze geen zin hebben, stop ermee! (…) Zeg: ik wil mijn tijd besteden aan de kinderen!’ Dekker heeft gelijk, maar dacht hij dat leraren die macht hebben?

Onderwijs kan zich helemaal niet voorbereiden op onbekende technologische veranderingen, en een onvoorspelbare arbeidsmarkt. Onderwijs dient niet om nieuw werkvee, voor de lopende band van de economie, aan te leveren. Op school zitten de mensen die straks samen de wereld vormgeven. Die kinderen opvoeden, oplossingen verzinnen, schoonheid creëren, valsheid doorzien, troost bieden, perspectieven openen. Die moet je geen tijdgebonden technieken meegeven, maar wapenen met een brede ontwikkeling, basisvaardigheden, een open hart en een kritisch verstand. Onderwijs moet het kind niet aanpassen aan de toekomst, maar het de werktuigen bieden om straks elke toekomst aan te kunnen. Dat is – ploink! – mijn duit in Dekkers trommel.

Door: Aleid Truijens

CITO 2013/2014: de Eindtoets Basis en de Eindtoets Niveau

Volgend schooljaar verschijnt de Eindtoets Basisonderwijs in twee versies, op papier en digitaal: de Eindtoets Basis en de Eindtoets Niveau. Deze twee toetsen bevatten dezelfde taken, in dezelfde volgorde, met hetzelfde aantal opgaven. Het grootste deel van de opgaven in de toetsen is verschillend. De opgaven in de Eindtoets Basis zijn gemiddeld wat moeilijker dan de opgaven in de Eindtoets Niveau.

Eindtoets Basis

De Eindtoets Basis is bestemd voor leerlingen (landelijk ongeveer 75%) van wie u verwacht dat zij doorstromen naar de gemengde/theoretische leerweg van vmbo, of havo of vwo. De scores van deze leerlingen op de toetsen van het Cito Volgsysteem vallen in het C-, B- of A-niveau. Deze Eindtoets is qua niveau vergelijkbaar met de papieren Eindtoetsen tot en met 2012.

Eindtoets Niveau

De Eindtoets Niveau is bestemd voor leerlingen (landelijk ongeveer 25%) die wat minder hoog scoren op de schoolse vaardigheden taal en rekenen. Het zijn de leerlingen van wie u verwacht dat zij het best op hun plaats zijn in de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van vmbo. Voor leerlingen die meestal onder het gemiddelde presteren (Bij de toetsen van het Cito Volgsysteem vallen hun scores vaak in het E- of D-niveau., is de Eindtoets Niveau de beste keuze.

Twee Eindtoetsen, twee uitslagen?

Beide versies zijn niet helemaal verschillend. Ongeveer 25% van de opgaven zit zowel in de Eindtoets Basis als in de Eindtoets Niveau. Door die overlap loopt de moeilijkheid van de twee versies niet te veel uit elkaar. En deze overlap zorgt er ook voor dat de scores van de twee versies op één schaal gezet kunnen worden. In de praktijk is het dus zo dat elke leerling (net als in vorige jaren) een standaardscore krijgt tussen 501 en 550. De Eindtoets Niveau is gemakkelijker dan de Eindtoets Basis. Om een bepaalde standaardscore te halen, moet je bij de Eindtoets Niveau daarom méér opgaven goed hebben dan bij de Eindtoets Basis.

Bij een twijfelgeval of een leerling de eindtoets basis dan wel de eindtoets niveau zal moeten maken (bijvoorbeeld omdat de LOVS-scores wisselend C en D zijn), zal deze keuze dan mede afhangen van motivatie, ambitie, onzekerheid, doorzettingsvermogen, faalangst, de eigen voorkeur van de leerling en eventuele andere eigenschappen of omstandigheden van de leerling.

(bron cito)

Beter Bijles SpecialiCITOdagen

Tijdens onze Winter’S Cool trainingen, krijgen de leerlingen les in alle vakken die bij de Cito-eindtoets worden bevraagd: begrijpend lezen, studievaardigheden, taal, rekenen en spelling. Niet alle kinderen hebben behoefte aan instructie en oefening in àlle vakken, omdat ze bv. erg goed in rekenen of juist in de taalvakken zijn.

Speciaal voor die kinderen organiseren we in december twee dagen die gericht zijn op training van één vakgebied. Op zaterdag 8 december kan het kind dat moeite heeft met rekenen of onderdelen van rekenen, bij ons terecht voor een dag vol met rekeninstructie en oefenstof. Zaterdag 15 december is gereserveerd voor die kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen en studievaardigheden.

Op de rekendag (8 december) komt het volgende aan de orde:

  • breuken, procenten, kommagetallen en de relatie daartussen;
  • verhoudingen en schaalbegrip;
  • maten en gewichten (omtrek, oppervlakte, inhoud, werken met metriek stelsel);
  • rekenkundige bewerkingen;
  • rekenen met geld en tijd.

Natuurlijk oefent het kind alleen die onderdelen die het nog niet beheerst. Om te bepalen welke onderdelen dit zijn zullen we vooraf een instaptoets afnemen.

Op de taaldag (15 december) behandelen we:

A. Begrijpend lezen

  • Welke strategie pas je toe op een begrijpend lezen tekst?
  • Welke tekstsoorten kun je verwachten?
  • Wat voor soort vragen kun je verwachten?
  • Hoe pak je een gatentekst aan?
  • Hoe ga je om met een foutentekst?

B. Studievaardigheden

  • Welke grafieken komen voor? Hoe lees je die? Welke vragen kun je erbij verwachten?
  • Hoe lees je informatie af uit een tabel en welke vragen kun je krijgen?
  • Wat zijn studieteksten en hoe analyseer je die?
  • Wat is het verschil tussen studieteksten en begrijpend lezen?
  • Welke bronnen zijn er om informatie te vinden en hoe bepaal je welke bron je nodig hebt?
  • Hoe zoek je in een encyclopedie en een woordenboek?
  • Welke zoektermen moet je invullen om informatie op internet te vinden?
  • Hoe kies je de juiste link uit een rijtje internetlinks?
  • Welke basisbegrippen moet je kennen om een kaart te kunnen lezen?
  • Hoe bepaal je de afstanden tussen twee plekken op een kaart?

Een lesdag duurt van 10.00 tot 16.00 uur en kent twee keer een half uur pauze. Naast deze pauzes zorgen we uiteraard voor voldoende energizers om de dag vol te houden. Een hele dag les in hetzelfde vak is immers veel gevraagd van een kind! Maar, het kind zal ervaren dat het na deze dag zoveel heeft geleerd dat het de Cito-toets met vertrouwen tegemoet kan zien. En daar doen we het uiteindelijk allemaal voor!

De maximale groepsgrootte voor deze dagen is 12 leerlingen. De lessen worden gegeven door twee docenten, zodat elke leerling veel individuele aandacht kan krijgen.

Voor meer informatie of om uw kind op te geven voor een van deze twee dagen:

Stuur een e-mail naar: info@beter-bijles.nl of bel ons op 020-6277764. Onze site: www.beter-bijles.nl

Wildgroei in bijlesland?

Elke ouder wil het beste uit zijn kind halen. Elke school streeft naar zo hoog mogelijke toetsresultaten voor haar leerlingen. Het belang van de ouder en de school lijkt hierin gelijk. Lijkt, want er is ook een verschil.

Natuurlijk streeft de school naar een zo hoog mogelijk resultaat voor haar individuele leerlingen, maar de school wordt door de inspectie juist beoordeeld op haar gemiddelde Cito-score. Drie keer achtereen een te lage score levert het predikaat ‘zwakke school’ op met een daaraan gekoppeld verscherpt toezicht en opgelegd verbeterplan. Scholen is er dus alles aan gelegen om de Cito-score op peil te houden. Opbrengstgericht werken lijkt hier het toverwoord. Een school die opbrengstgericht werkt, zet zich planmatig in voor het verbeteren van de vorderingen van leerlingen.

Ouders kijken uiteraard vooral naar de score van hun eigen kind. Hoe hoger de score, hoe hoger de haalbare vorm van vervolgonderwijs of de kans dat je wordt toegelaten tot de school van je keus. We  mogen ervan uitgaan dat de school het beste uit een kind weet te halen door opbrengstgericht te werken, maar iedereen zal begrijpen dat een leerkracht met 25 leerlingen in zijn klas niet voldoende tijd heeft om alle leerlingen individueel te begeleiden. En het zal maar net uw kind zijn dat nog problemen heeft met begrijpend lezen, procentsommen, werkwoordspelling of het interpreteren van tabellen …. Dit beïnvloedt wel degelijk de Cito-score van uw kind en daarmee zijn kansen in het vervolgonderwijs. De aandacht in de klas richt zich voornamelijk op de kinderen die achterblijven; van de leerling die gemiddeld presteert of weinig problemen ondervindt, wordt verwacht dat hij of zij  ‘zich wel redt’. Terwijl juist vaak deze laatste groep die extra uitleg en aandacht nodig heeft om fundamenteel betere resultaten en vooruitgang te kunnen boeken.

In de klas is er dus veelal geen of te weinig tijd voor iedere leerling. Vaak is een aantal individuele bijlessen, gericht op de kennishiaten van het kind of op het aanleren van strategieën om bv. teksten aan te pakken, voldoende om deze problemen op te lossen. Dat wat in een grote groep niet opgepakt wordt, lukt in een één-op-één-situatie vaak wel. Maar welk bijlesbureau moet je nou kiezen? Wie kan uw kind het best helpen?

Bijlesbureautjes schieten als paddenstoelen uit de grond. Het lijkt wel of iedereen bijles kan geven! Op het moment dat de bijlesdocent de leerkracht van uw kind gaat bellen om te vragen waar de problemen zitten, weet u dat u fout zit. Dit moet hij/zij immers zelf snel kunnen achterhalen!

Beter-Bijles is een gerenommeerd bijlesinstituut met tevreden klanten. Wij houden voordat we de opdracht aannemen altijd een intakegesprek met de ouder en het kind. Doel van dit gesprek is te bespreken wat de verwachtingen zijn en te onderzoeken waar de problemen zitten. We analyseren de toetsgegevens van de Entree- of LOVS-toetsen en daarnaast bepalen we aan de hand van een door ons zelf gemaakte instaptoets welke leerstof aan bod moet komen. Individueel of in kleine groepjes wordt de stof uitgelegd en oefenen we tot de leerling het begrijpt of de juiste strategie kan toepassen om tot een goed resultaat te komen. Daarbij maken we ook gebruik van Cito-toetsen en aan de Cito-toets gerelateerde opgaven, om de leerling te laten wennen aan die specifieke vraagstelling. Na elke bijles communiceren we direct naar de ouder hoe het gaat.

Kies dus niet zomaar een bijlesbureau, maar overtuig u ervan dat u te maken heeft met kundige en ervaren leerkrachten. Goede bijlessen worden gegeven door professionals met verstand van zaken die door een duidelijke uitleg en met gebruik van goed materiaal de basiskennis van uw kind op het gewenste niveau brengen.

Vindt u bijlessen voor uw kind iets te veel van het goede, maar wilt u toch zeker weten dat uw kind goed beslagen ten ijs komt bij de Entree – of Cito-toets, dan kunt u overwegen uw kind zelf te begeleiden. Ook daarvoor kunt u bij ons terecht, nl. door het aanschaffen van onze Beter Bijles oefenboeken ….. In deze boeken vindt u een duidelijke uitleg van de lesstof die in de Cito-toetsen wordt bevraagd en een schat aan oefenmateriaal om te zien of uw kind de theorie ook daadwerkelijk kan toepassen. De boeken zijn geschreven in een voor een 10- tot 12-jarige begrijpelijke taal.

De Oefenboeken van Beter Bijles zijn bestemd voor particulier gebruik. Ze worden veelvuldig besteld en de reacties van de gebruikers zijn altijd lovend. Echter, ook commerciële bijlesbedrijven gebruiken onze boeken voor de uitleg van theorie en het oefenen van de leerstof. In een Cito-lookalike-vraag zou dat er zo uitzien:

Bijlesbedrijven, remedial teachers en andere professionals gebruiken de Beter Bijles boeken om hun leerlingen de lesstof uit te leggen en voldoende oefenmateriaal te hebben. Waarom?

a. Omdat de BB-boeken nou eenmaal supergoed zijn.
b. Omdat ze gemakkelijk geld willen verdienen.
c. Omdat ze niet in staat zijn zelf oefenstof te bedenken.
d. Omdat ze zelf de lesstof niet kunnen uitleggen.

Wij denken dat alle antwoorden op veel bijlesbedrijven van toepassing zijn. Maar uiteraard is antwoord A het best!

Rekenniveau in Nederland

Integraal overgenomen van de site van GeenStijl: een betoog over de dramatische stand van zaken van het Nederlands rekenonderwijs, geschreven door iemand met verstand van zaken.

Open brief aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Geachte mevrouw Van Bijsterveldt,

Anderhalf jaar geleden haalde mijn dochter tweeën en drieën voor haar wiskundeproefwerken in klas 3vwo. Ik keek waar het mis ging. Ze bleek vooral niet met breuken te kunnen omgaan. Toch is mijn dochter een slimme meid. Ze had destijds op de basisschool de maximale Citoscore gehaald. Kennelijk deugen zowel het rekenonderwijs op de basisschool als de Citotoets niet. Hoe kan dat? Het Traditioneel Rekenen is rond de 40 jaar geleden afgeschaft; nu is er het rampzalige Realistisch Rekenen. Jan van de Craats schrijft daarover in het zwartboek: “Waarom Daan en Sanne niet kunnen rekenen.”

Mijn zoon gaat binnenkort Wiskunde studeren in Leiden, net als ik 33 jaar geleden. Hij heeft net VWO eindexamen gedaan in de Wiskunde B variant, die voorbereidt op de exacte wetenschappen. Ik heb naar dat examen (pdf) gekeken. Het was een vreselijk ratjetoe, 12 vellen dik (ik dacht dat 1 A4-tje normaal was). Inzicht in wiskundige functies werd nauwelijks getoetst; wel de behendigheid om knopjes op een rekenmachine in te drukken.

Nutteloze vormen van wiskunde
Er was een paginagroot verhaal bij over een kunstenares. Leuk voor het vak Nederlands of CKV, maar misplaatst op een wiskundetoets. Op de volgende bladzijde stonden er drie priegelige tekeningetjes naast elkaar, en daaronder een vraag over het middelste tekeningetje; eigenlijk een soort ogentest. Andere opgaven gingen over wirwarren van driehoeken, vierhoeken en cirkels: een nutteloze vorm van wiskunde. Erger nog: je weet gewoon niet waar je moet beginnen om de vraag te beantwoorden. Dit toetst nauwelijks een wiskundige vaardigheid. Inmiddels heeft het College voor Examens laten weten dat maar liefst 3 van de 17 opgaven Wiskunde-B niet meetellen (pdf) voor de beoordeling. De reden vertelt men niet, maar het zal iets met kwaliteit te maken hebben.

Een sterke lobby verdedigt de rekenramp met blabla-verhaaltjes en drogredenen over het belang van inzicht, ‘handig rekenen’, en verhaaltjesrekenen. Zo schreven achttien hoogleraren in 2008 in NRC: “‘Realistisch rekenen’ niet goed? Kinderen presteren juist beter.” Onder hen was Diederik Stapel, bekend van de verzonnen onderzoeksgegevens. Het realistisch rekenen is een nog veel grotere en schadelijkere oplichterij: er is geen empirische onderbouwing dat die methode goed werkt – integendeel.

Slecht rekenen is moord
Ik vond deze twee citaten op BeterOnderwijsNederland.nl:

“In arren moede zijn we op onze faculteit maar weer begonnen om in de eerste weken van het collegejaar het elementaire rekenen met breuken te behandelen, tot grote verbazing en hilariteit van onze buitenlandse studenten (Chinezen en Koreanen) die zich terecht afvragen in wat voor land ze eigenlijk terechtgekomen zijn.”

“Het beroemdste voorbeeld is natuurlijk de verpleegster die voor moord werd aangeklaagd omdat ze een patiënt een overdosis insuline had gegeven. Haar (oprechte) verweer was dat ze simpelweg het recept van de dokter had uitgevoerd: “Vorige week moest ik 0,1 mg geven, en deze week stond er plotseling 0,10 mg, dat is dus 10 keer zoveel…”

Eind 2011 dienden D66 en de SGP in de Tweede Kamer een motie in om het gebruik van de rekenmachine bij toetsen en examens te beperken. Maar, mevrouw de minister, u wilde eerst advies inwinnen, en de motie werd aangehouden. In april kwamen de adviezen binnen, van het College voor Examens en het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling SLO. U schreef de kamer dat er geen verdere maatregelen nodig zijn. Maar, zoals uit de bijlage van het SLO-rapport blijkt, zowel de vereniging Beter Onderwijs Nederland als de Stichting Goed Rekenonderwijs keurden het advies van SLO af. En Jan Karel Lenstra, voorzitter van de KNAW-rekenonderwijscommissie schreef over het SLO-advies: “(…) het rekenonderzoek in ons land heeft een ongewenste traditie van vooringenomenheid en ik verzet me daartegen. Dat een verdere inperking van het gebruik van de rekenmachine op school in strijd is met wat men buiten de school doet is een heel slecht argument. Buiten de school viert de gemakzucht hoogtij. Een taak van de school is nu juist de kinderen te leren daaraan zo lang mogelijk te ontsnappen.” De facto diskwalificeert Lenstra hiermee het SLO-rapport.

In 2010 had de Tweede Kamer besloten dat vanaf 2013 alle leerlingen in het voortgezet onderwijs een rekentoets moeten afleggen. U heeft toen als staatssecretaris gezegd dat de leerlingen daarbij geen rekenmachine zouden mogen gebruiken. Tegen deze afspraak in blijkt nu dat toch ruim 80% van de vragen met een rekenmachine mag worden opgelost. Verhaaltje lezen, plaatje kijken, knopjes drukken, antwoord intypen: wie dat goed kan slaagt; geen probleem als je niet kan rekenen en zelfs de tafel van 2 niet kent. De overige ‘echte’ rekenopgaven zijn eenvoudig en kunnen met “handig rekenen” worden opgelost, dus zonder standaardrekenmethodes.

Rekenramplobby
Eigenlijk hadden we dit bedrog kunnen verwachten; de machtige rekenramplobby saboteerde een serieuze rekentoets die haar zou kunnen ontmaskeren. Maar deze maand bleek uit een proef dat scholieren zelfs met de quasirekentoets dramatisch slecht scoren.

Mevrouw de minister: gooit u alstublieft al die onzinrapporten in de prullenbak; smijt de rekenmachines, deze ‘weapons of math destruction‘, het wiskundelokaal uit, en stop de rekenramp. Onze kinderen hebben daar recht op.

André van Delft
Wetenschapper en software-ontwikkelaar

P.S. Ohja, dit is ook leuk. Ik kwam bij BeterOnderwijsNederland de methode ZOEFI tegen. Dit is echt verschrikkelijk. Totale debilisering van groep 8. Zie ook de link in die comment naar deze video. “fi” in de URL staat voor Hans Freudenthal; de wiskundige die vorige eeuw met goede bedoelingen het rekenen om zeep heeft geholpen.

 

Uitstel verplichte CITO-toets

Komend jaar zijn basisscholen nog niet verplicht om de eindtoets af te nemen bij Cito. De verplichting om deze toets te gebruiken, wordt waarschijnlijk met een jaar uitgesteld. Ook de verplaatsing van het afnamemoment van de eindtoets, van februari naar april, gaat waarschijnlijk pas in 2014 van start. Vooralsnog gaat Cito ervan uit dat de Eindtoets Basisonderwijs plaatsvindt op 5, 6 en 7 februari 2013.

Met de verplaatsing van het afnamemoment naar april wil het ministerie van onderwijs bereiken dat de voorbereiding op de Cito-toets  intensiever en daardoor beter wordt. De overgang naar het voortgezet onderwijs zou daarmee soepeler gaan verlopen.

Vanwege tijdsgebrek bij de Eerste Kamer moeten 180.000 leerlingen in 2013 het dus nog doen met een korte effectieve leertijd, zal de NIO-toets nog even blijven bestaan en zal de vraag naar goede uitleg en verantwoord oefenmateriaal voor de Cito-toets weer bovengemiddeld zijn.

De Cito-toets van dit jaar werd door leerkrachten als relatief moeilijk beoordeeld; op veel basisscholen werden door leerlingen van groep acht dan ook lagere scores behaald dan in voorgaande jaren. Vreemd genoeg blijkt dit niet uit de gegevens van Cito. Uit die resultaten blijkt dat leerlingen in 2012 gemiddeld een standaardscore van 535,5 behaalden. Dit is hetzelfde als vorig jaar.

 

Cito-toets wordt verplicht

Alle leerlingen in groep 8 van de basisschool maken voortaan een verplichte  landelijke eindtoets voor taal en rekenen (inclusief studievaardigheden). De centrale eindtoets zal voor het eerst worden afgenomen in het voorjaar van 2013.

De huidige Cito-eindtoets wordt begin februari afgenomen. Minister van Bijsterveldt stelt voor de nieuwe landelijke toets af te nemen tussen 15 april en 15 mei. Volgens de bewindsvrouw wordt met het verplaatsen van de eindtoets, de onderwijstijd voor taal en rekenen in het laatste schooljaar optimaal benut. Dit draagt ook bij aan een soepele overgang naar het voortgezet onderwijs: “Met het verplaatsen van de Cito-toets naar april/mei gaat het advies van de school zwaarder wegen. Tot nu toe was de Cito-toets vaak te leidend bij een keuze voor het middelbaar onderwijs. De toets is eigenlijk slechts een foto, terwijl het schooladvies meer de film is van het kind van de afgelopen jaren. De eerste stap van aanmelding op middelbaar onderwijs kan nu al gedaan worden op basis van het schooladvies, en de Cito-toets wordt dan meer een second-opinion. Als die ernstig afwijkt van het advies kan altijd nog een discussie aangegaan worden over het geadviseerde voortgezet onderwijs.”

De eindtoets is dus een belangrijk objectief gegeven dat het schooladvies aanvult. De eindtoets helpt ook om de onderwijsopbrengsten van de school in kaart te brengen. Dat geldt eveneens voor de gegevens in het leerling- en onderwijsvolgsysteem (lovs). Naast de invoering van de centrale eindtoets worden alle scholen verplicht te werken met een lovs voor alle leerlingen. Het
gebruik van gegevens uit het lovs bij het inrichten en aanpassen van het onderwijs schiet nog te kort. De Inspectie van het Onderwijs heeft geconstateerd dat niet meer dan 37% van alle basisscholen de gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem optimaal, als hulpmiddel bij opbrengstgericht werken, gebruiken. Het verplicht stellen van een geordend lovs-systeem zal nu ook duidelijker gaan maken waar de school staat ten opzichte van andere scholen.

De effecten van de nieuwe regeling zullen ook voor ouders merkbaar worden. Ouders kunnen nu beter worden geïnformeerd over de vorderingen van hun kind mede op basis van het leerlingvolgsysteem, zij krijgen eenduidige informatie over de leervorderingen van hun kinderen tijdens en aan het einde van de basisschool en ouders kunnen (na verloop van tijd) scholen beter onderling vergelijken op basis van de resultaten van het lovs en de centrale eindtoets.

Het nut van bijles (2)

In de media gaat het weer eens over de kwaliteit van het onderwijs. Aankomende mbo-studenten halen bij de start van hun opleiding vaak niet eens het niveau dat ze aan het eind van de basisschool bereikt moeten hebben. Vooral met rekenen is het probleem zeer precair.

Met taal blijft 25% van de leerlingen steken onder het gemiddelde niveau van de basisschool; met rekenen haalt zelfs 50% (!) dit gemiddelde niveau van groep 8 niet. Het betreft hier niet zo maar een steekproef: 60.000 studenten van het mbo zijn de afgelopen maanden getoetst op hun vaardigheden. De toetsen, opgesteld door Bureau ICE, sluiten aan bij de zogeheten referentieniveaus die sinds het begin van dit schooljaar in de wet vastliggen. Daarin is per schoolsoort bepaald wat een leerling aan de eindstreep moet kunnen op het gebied van rekenen en taal.

Eerder heeft de overheid al aangegeven voor de periode 2010-2013 50 miljoen per jaar extra te investeren om de taal- en rekenvaardigheid  te verbeteren. Misschien dat deze investering de komende jaren zijn vruchten gaat afwerpen, maar de conclusie vooralsnog luidt wel dat de kwaliteit van het onderwijs ver ondermaats is. Want wanneer 50% van de mbo-studenten slechter rekent dan een gemiddelde achtste-groeper betekent dit natuurlijk wel dat het genoten onderwijs ruim onvoldoende is geweest. Het nut van bijlessen is hiermee eveneens aangetoond. Met twee uur bijles per week worden hier zonder problemen de voorgeschreven referentieniveaus gehaald. Waarom lukt dat niet in vijf dagen school per week?

Laten we beginnen met gewoon weer ouderwets veel aandacht te besteden aan taal en rekenen en minder tijd te besteden aan het stimuleren van sociale vaardigheden en ‘gefröbel’ in de klas. En investeren in primair en voortgezet onderwijs is natuurlijk van belang, maar een zwaarder accent op het verbeteren van lerarenopleidingen lijkt van primair belang om de kwaliteit van het onderwijs op een acceptabel niveau te krijgen.

Leraren kunnen niet uitleggen

Leraren spreken een andere taal dan de scholieren in het basis- en voortgezet onderwijs. De uitleg van de leerstof wordt niet begrepen dit heeft duidelijk negatieve gevolgen voor de prestaties en slagingskansen van de leerlingen.

Natuurlijk is bovenstaande kop een enigszins gechargeerde uitspraak. Toch is dit een afgeleide van één van de conclusies van een onlangs verschenen rapport. Twee taalwetenschappers, verbonden aan de universiteit van Tilburg, hebben onder 169 docenten onderzoek gedaan naar communicatieproblemen in de klas. De problemen werden geconstateerd bij bijna alle vakken, waaronder met name Nederlands (spelling en begrijpend lezen) en rekenen.

Door het te vaak bezigen van academische taal en het zich niet kunnen inleven in de belevings- en gedachtenwereld van een leerling – naast het soms al bedenkelijke niveau van het onderwijs – lijkt het er inmiddels op dat sommige docenten in een ivoren toren zitten. Het is niet mogelijk een leerling iets uit te leggen zonder in begrijpelijke taal te praten. In de bijlessen die wij hier geven en in de oefensyllabi die wij hebben geschreven, wordt de theorie uitgelegd op een voor een 10-, 11- of 12-jarige begrijpelijk niveau: een vereiste om goede resultaten te kunnen boeken.

De manier van lesgeven moet  aansluiten bij het niveau van de leerling, niet bij het niveau van een docent. Een veelgehoorde tekst in onze bijlessen is: “Oh, werkt dat zo…!”  Ook onze ervaring is dus dat leraren vaak op een te moeilijke manier de theorie proberen duidelijk te maken; een uitleg die te wollig en niet recht-door-zee is, leidt tot onbegrip en slechte cijfers.

Ook de leerkrachten zelf hebben aangegeven dat het om een omvangrijk probleem gaat. Inmiddels hebben taalwetenschappers voor scholen en leerkrachten een kerncurriculum ontwikkeld, dat op 12 november wordt gepresenteerd. Hopelijk staat daar ook in hoe een leraar zijn manier van uitleggen kan verbeteren.