Categorie archief: PABO

Leraren kunnen niet uitleggen

Leraren spreken een andere taal dan de scholieren in het basis- en voortgezet onderwijs. De uitleg van de leerstof wordt niet begrepen dit heeft duidelijk negatieve gevolgen voor de prestaties en slagingskansen van de leerlingen.

Natuurlijk is bovenstaande kop een enigszins gechargeerde uitspraak. Toch is dit een afgeleide van één van de conclusies van een onlangs verschenen rapport. Twee taalwetenschappers, verbonden aan de universiteit van Tilburg, hebben onder 169 docenten onderzoek gedaan naar communicatieproblemen in de klas. De problemen werden geconstateerd bij bijna alle vakken, waaronder met name Nederlands (spelling en begrijpend lezen) en rekenen.

Door het te vaak bezigen van academische taal en het zich niet kunnen inleven in de belevings- en gedachtenwereld van een leerling – naast het soms al bedenkelijke niveau van het onderwijs – lijkt het er inmiddels op dat sommige docenten in een ivoren toren zitten. Het is niet mogelijk een leerling iets uit te leggen zonder in begrijpelijke taal te praten. In de bijlessen die wij hier geven en in de oefensyllabi die wij hebben geschreven, wordt de theorie uitgelegd op een voor een 10-, 11- of 12-jarige begrijpelijk niveau: een vereiste om goede resultaten te kunnen boeken.

De manier van lesgeven moet  aansluiten bij het niveau van de leerling, niet bij het niveau van een docent. Een veelgehoorde tekst in onze bijlessen is: “Oh, werkt dat zo…!”  Ook onze ervaring is dus dat leraren vaak op een te moeilijke manier de theorie proberen duidelijk te maken; een uitleg die te wollig en niet recht-door-zee is, leidt tot onbegrip en slechte cijfers.

Ook de leerkrachten zelf hebben aangegeven dat het om een omvangrijk probleem gaat. Inmiddels hebben taalwetenschappers voor scholen en leerkrachten een kerncurriculum ontwikkeld, dat op 12 november wordt gepresenteerd. Hopelijk staat daar ook in hoe een leraar zijn manier van uitleggen kan verbeteren.

Universitaire pabo

Over vier jaar wordt Amsterdam overspoeld door goede leraren op de basisschool. Alle kritieken die we de laatste jaren hebben gehoord over de kwaliteit van het onderwijs en over het opleidingsniveau van de pabo zullen hiermee misschien verstommen.

Vandaag vindt de officiële opening plaats van de Universitaire Pabo van Amsterdam. Studenten aan de Universitaire Pabo doen twee bachelors tegelijk: de hbo-bachelor Leraar Basisonderwijs en de wo-bachelor Pedagogische Wetenschappen. Binnen de opleiding ligt de nadruk op de grootstedelijke dynamiek en het Amsterdamse basisonderwijs. De eerste studenten gaan op 1 september van start.

De Universitaire Pabo is niet alleen gericht op lesgeven in theorie en praktijk, maar ook op het doen van onderzoek. Hierbij staat de grootstedelijke context van het onderwijs, zoals in Amsterdam, centraal: rijkdom aan culturen, (mogelijke) taalachterstand bij jonge kinderen, differentiëren en grootstedelijke problematiek. De studenten lopen vanaf het eerste jaar stage bij geselecteerde basisscholen in Amsterdam.

“Het gaat beter met het primair onderwijs, maar we zijn er nog niet.” Toch eindelijk weer goed nieuws voor de basisscholen. De bestaande mbo-pabo’s krijgen concurrentie en hopelijk heeft het hogere niveau van de nieuwe lerarenopleiding ook een positief effect op de kwaliteit (lees: reken- en taalniveau) van de lerarenopleiding op de bestaande pabo’s.

Leerproblemen & Labels

Kinderen krijgen steeds meer prikkels te verwerken, docenten signaleren vaker leerproblemen of gedragsstoornissen, de samenleving wordt steeds ingewikkelder en er is een steeds toenemende druk op kinderen om te presteren. Dat zijn de belangrijkste oorzaken voor de groei van het aantal kinderen dat een probleemlabel krijgt opgeplakt.

Het tv-programma Rondom 10 (uitzending zaterdag 1 mei om 21:10 uur op Ned2) en CNV onderwijs hebben onder ruim 2300 leraren van de basisschool een onderzoek gehouden over ‘scholieren met labels’. Reden voor het onderzoek was dat de laatste jaren steeds meer leerlingen een etiket krijgen opgeplakt. Vroeger werden deze kinderen gewoon druk, lastig, verlegen of minder slim genoemd.

Ruim 63% van de leraren op basisscholen meent dat zij onvoldoende zijn opgeleid om kinderen met een label in de klas goed te kunnen begeleiden. Omdat er in bepaalde klassen veel kinderen met een leerprobleem of gedragsstoornis zijn, heeft dit tot gevolg dat hun klasgenoten daaronder lijden. Ruim 80% van de docenten vindt dat kinderen met een etiket tot een grotere werkdruk leiden.

Hoewel de docenten zich dus niet in staat achten op een passende wijze met de situatie om te gaan, meent 62% dat het labelen van kinderen vanwege een probleem of stoornis een goede ontwikkeling is en dat de betreffende kinderen in hun klas terecht een probleemlabel hebben (77%). Ook vindt ruim 72% van de ondervraagden dat de extra zorg en aandacht voor labelkinderen een positieve invloed op hun leven heeft.

Al eerder bleek uit een onderzoek van de Radboud Universiteit dat leraren vinden dat ze onvoldoende zijn opgeleid voor passend onderwijs. Er zullen meer investeringen (in plaats van bezuinigingen) in het basisonderwijs nodig zijn om bovenstaande problemen te kunnen oplossen. De belangrijkste investering zal dan moeten plaatsvinden in het verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleiding en een (verplichte) bijscholing van bestaande docenten.

Er zal ook moeten worden nagedacht over de directe gevolgen voor het kind, dat zichzelf in een relatief uitzichtloze situatie geplaatst ziet waar het grootste deel van de docenten blijkbaar geen geschikte oplossing voor heeft. Eén van die gevolgen – en naar mijn idee het belangrijkste – is het verder afnemen van het zelfvertrouwen van dat kind. ‘Probleemkinderen’ zijn zich er terdege van bewust dat ze een buitenbeentje zijn. In het didactische systeem van nu, waar veel in groepjes wordt gewerkt en leerlingen veel zelfstandig moeten uitzoeken, wordt dat aspect alleen maar benadrukt. Meer tijd en aandacht is een voorwaarde voor een goede oplossing.

Beter onderwijs levert geld op

Het onderwijs kan beter. Van de bijna twee en een half miljoen leerlingen die dagelijks de scholen voor basis en voortgezet onderwijs bezoeken, presteren de meesten op het niveau dat ze aankunnen. Maar, ruim 10% van de leerlingen presteert onder hun niveau. Als je kijkt naar hun cognitieve aanleg, halen ze minder hoge cijfers dan ze kunnen.

Er zijn dus, volgens een onderzoek van de onderwijsraad,  heel veel leerlingen die, gelet op hun aanleg, beter op school kunnen presteren dan ze doen. De omvang van het percentage onderpresterende leerlingen varieert van 10 tot 18% van de leerlinggroep, afhankelijk van de gekozen vergelijkingsmaatstaf.  Blijkbaar kan er in veel gevallen een beter match worden gemaakt tussen de eisen van het onderwijs en de mogelijkheden van een leerling. Want de mogelijkheden worden door onvolledig onderwijs niet optimaal benut.

Het ontdekken en stimuleren van talenten is een taak van het onderwijs. Dat ligt zeker voor de hand bij toptalent op het cognitieve vlak, maar ook voor de gemiddeld en minder begaafden moet de school zo goed mogelijk gunstige condities scheppen. Het onderwijs moet er naar streven bij elke leerling er uit te halen wat er in zit. De vraag is of het onderwijssysteem in Nederland talent voldoende herkent en kansen biedt. Het merendeel van de leerlingen presteert naar vermogen, maar er zijn leerlingen – hoe intelligent ook – die dat niet doen. Nog te weinig leerlingen bereiken voldoende toegerust het hoger onderwijs. Oorzaken daarvoor heb ik al eerder beschreven: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs. Talent moet worden gestimuleerd en als dat onvoldoende gebeurt is onderbenutting één van de gevolgen.

Dat incompetenties en onderbenutting in het basis- en voortgezet onderwijs moeten worden aangepakt is duidelijk. Maar ook economisch loont het zeer de moeite de kwaliteit van het onderwijs aan te scherpen: schattingen van de onderwijsraad geven bijvoorbeeld aan dat het wegwerken van (alleen al) taalachterstanden bij de huidige onderpresteerders in het basisonderwijs, 15 tot 18% van de leerlingen, tot een inkomenstoename van meer dan 2,5 miljard euro voor deze leerlingen zou leiden. Daarbij komen nog andere maatschappelijke baten, zoals besparingen op de kosten van gezondheidszorg, sociale zekerheid, criminaliteit en dergelijke. Er is werk aan de winkel…