Basisonderwijs en de incompetentie van de PABO-competentielijst

Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van het onderwijs. Het reken- en taalniveau op de basisscholen is vaak ondermaats en veel mensen hebben daar iets over te zeggen. Oplossingen worden soms genoemd, maar vooralsnog blijkt de situatie zich niet te verbeteren.

Er zijn drie probleemgebieden: de kwaliteit van het basisonderwijs, de kwaliteit van de PABO-opleiding en de situatie op scholen in het primair onderwijs.
De rekenvaardigheid op de basisschool is ondermaats, mede door onvoldoende vakkennis bij leraren. Het gehanteerde systeem van ‘realistisch rekenen’ heeft er blijkbaar niet aan bijgedragen de problemen te verhelpen. Sterker nog, taalzwakke leerlingen hebben een extra probleem omdat de meeste sommen in verhaalvorm worden gegoten. Een onderzoek aan de universiteit van Ohio heeft laatst aangetoond dat het gebruik van concrete voorbeelden, verhaalsommen dus, contraproductief werkt: een leerling die een wiskundige theorie leert aan de hand van voorbeelden, zal volgens het onderzoek moeite hebben de theorie opnieuw toe te passen in een andere vragencontext. Kinderen beschikken ook over onvoldoende vaardigheden met betrekking tot begrijpend lezen: begrip van grammatica is een hekel punt. Eén en ander zorgt er voor dat de aansluiting van de basisschool op het voortgezet onderwijs niet goed genoeg is, maar ook de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hogere beroepsonderwijs vraagt verbetering.

De structuur van de PABO-opleiding moet op de schop. Het grootste probleem van deze lerarenopleiding is dat gediplomeerden niet voldoen aan de criteria die zouden moeten gelden voor een goede onderwijzer. De competentielijst die de PABO hanteert (het aantal vaardigheden dat een toekomstige leraar zou moeten beheersen) omvat voornamelijk onderdelen op gebieden als pedagogie, didactiek, communicatieve vaardigheden en management.

Bron:Competentie- en scoringslijst ten behoeve van Assessments en Integrale Beoordelingsmomenten PABO 2006/2007

Natuurlijk zou een docent zónder deze competenties niet geschikt zijn voor het onderwijs, maar het is toch op z’n minst opvallend dat er van alle (21!) competenties slechts één is die echt ingaat op de reken- en taalvaardigheden van de student: ‘kennis van de vakgebieden’. De belangrijkste vaardigheid die een pabo-student zich eigen zou moeten maken blijft in de opleiding dus onderbelicht.

Maar ook de basisscholen zelf nemen te weinig initiatief tot verbetering. Nascholing van bestaande docenten staat vreemd genoeg op een veel te laag pitje, terwijl er van overheidswege wel gelden beschikbaar voor zijn gesteld. Waarschijnlijk komt dit door de invoering van de Lumpsum-financiering, die inhoudt dat de overheid één budget aan een school geeft dat ‘vrij besteed’ kan worden (het basisonderwijs ontving in 2008 60 miljoen euro meer dan het uitgaf!). Ook zou het primair onderwijs op de eerste plaats een onderwijsinstelling moeten zijn, maar te vaak wordt de nadruk gelegd op opvoedingszaken. Het is een opvoedrol die scholen wordt opgedrongen door de overheid. Dat is niet altijd verkeerd, maar het sluit niet aan op de Cito-toets en de entreetoets, waarin kinderen gewoon keihard worden beoordeeld op hun kennis van rekenen en taal.

In de huidige discussie over het onderwijs is, bij monde van staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs), al gesteld dat de structuur van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs moet veranderen om het taal- en rekenonderwijs te verbeteren. Zij heeft met de HBO-raad afgesproken dat vaardigheden en kennis van toekomstige leraren moeten worden vastgelegd in kennisbases en vaardigheden van kinderen in kerndoelen. Het zijn plannen voor de toekomst, maar logge bestuursorganen en vastgeroeste structuren verhinderen nog steeds een snelle implementatie.
Toch dient er in het basisonderwijs snel een stevige basis te worden gelegd middels goed onderwijs in rekenen en taal. Op de basisschool worden immers de eerste fundamenten gelegd voor de verdere toekomst van een kind. Zonder deze fundamenten worden de aanwezige capaciteiten bij de leerling niet volledig tot ontplooiing gebracht, wordt de overgang naar het voortgezet onderwijs onnodig bemoeilijkt en worden de potentiële toekomstmogelijkheden van het kind beperkt. De criteria die door de basisschool gehanteerd worden voor het bepalen van het niveau van de vervolgopleiding – Leerling Volg Systeem, entreetoets en Cito-toets – geven zonder die goede basis nu een onvolledig beeld van potentiële capaciteiten van een leerling.

Wat zijn de mogelijke oplossingen? Op de PABO zal de competentie ‘kennis van de vakgebieden’ een veel zwaarder gewicht moeten krijgen door meer lesuren aan taal- en rekenvaardigheden te besteden. Dit zal resulteren in kwalitatief beter opgeleide docenten en dus ook in betere prestaties van leerlingen op de basisschool. Een toenemende kwaliteit in het onderwijs zal dan wel tot uiting moeten komen in een betere salariëring van een docent. Ook het toelatingsbeleid voor de PABO-opleiding zal aan strengere eisen moeten gaan voldoen. Bovendien dient het op orde brengen van de basisvaardigheden al in de eerste twee jaren van de pabo-opleiding de hoogste prioriteit te hebben. Dit moet zijn gebeurd voordat studenten aan stages op basisscholen beginnen; het kan natuurlijk niet zo zijn, dat een leraar in spé gemiddeld slechter rekent dan een goede leerling uit groep 8.
Verder zal de lerarenopleiding terug moeten naar de oude structuur van kweekschool en pabo. Er is geen reden waarom een kleuterleerkracht rekensommen van groep 8 moet kunnen uitleggen. Omgekeerd hebben veel toekomstige leraren geen zin om zo lang een studie te volgen waar je ook wordt opgeleid om te leren plakken en knippen met kleuters.
Deze verbeteringen zullen mede tot gevolg hebben dat het aantrekkelijker wordt om te kiezen voor een baan in het primair onderwijs. Het nog steeds afnemende aantal nieuwe pabo-studenten kan dan een halt worden toegeroepen.

Het op de basisschool herinvoeren van het traditioneel rekenen en de lat hoger leggen door beter, maar ook méér reken- en taalonderwijs is een tweede verbetering. Beter taalonderwijs kan worden gerealiseerd door o.a. de lessen in grammatica uit te breiden; het eindoel in groep 8 voor bijvoorbeeld zinsontleding gaat nu niet verder dan het behandelen van het lijdend voorwerp. Meer en vollediger grammaticaal onderwijs zal resulteren in betere resultaten op gebieden als begrijpend lezen en taalbegrip.
Tenslotte zal de standaard in het basisonderwijs ook moeten worden verhoogd; er zal meer tijd en geld moeten worden vrijgemaakt voor nascholing van leraren.
Een combinatie van al deze veranderingen zal leiden tot een structureel beter basisonderwijs en beter voorbereide kinderen in Nederland.

Advertenties

2 Reacties op “Basisonderwijs en de incompetentie van de PABO-competentielijst

  1. Soms voelt het alsof wij PABO-studenten de schuld zijn van het ‘slechte onderwijs’ op basisscholen.
    Ik zelf zit nu in m’n laatste jaar, ik studeer af bij de kleuters (niet vanwege lage reken- en taalcijfers overigens, dit zijn altijd al mijn sterke kanten geweest)
    Wat me opvalt is dat mensen snel de conclusie trekken “Pabo-studenten kunnen niet rekenen”. Vooral na de media-hype van zo’n twee/drie jaar geleden. Voor zover ik weet hebben de PABO-studenten die in het tweede jaar zitten, allemaal de rekentoets gehaald, voor hen gaat dit dus niet op. Dan komt waarschijnlijk nu het argument: “Ja, maar het is groep 8-niveau”
    Het is inderdaad geen moeilijke toets, daarom hebben veel studenten er een 8 of hoger voor.

    De kleuters… Daar hoort het onderwijs anders dan in de rest van de basisschool. Kleuters zijn geen kinderen die ‘leren om het leren’, ze leren spelenderwijs en hun ontwikkeling gaan sprongsgewijs. Jammer dat er zoveel mensen voor kleuters staan die er de ballen verstand van hebben. Veel leerkrachten hebben eerst midden- of bovenbouw gedaan. Sinds de kleuterschool en de lagere school samen de basisschool werden, mochten leerkrachten die niets van kleuters weten ineens wel voor een kleutergroep staan. Hoera; De komst van de werkbladen en verplichte werkjes.
    Ze proberen kleuters door middel van verplichtje werkjes te laten leren, terwijl de leidende activiteit bij kleuters toch echt ‘rollenspel’ is. Jammer!

    De kwaliteit van het onderwijs wordt dus niet enkel verpest door de komst van nieuwe leerkrachten.
    In de eerste twee jaar van de PABO ging het trouwens voornamelijk om eigen vaardigheid. Hier leerden we taal, rekenen, geschiedenis, natuur, en ga zo maar verder. Daar is dus zeer zeker een groot deel van de opleiding in gaan zitten.

    Groetjes Celine

  2. Opvallend vind ik dat de kwaliteit van de docenten op de pabo zelf nogal eens te wensen overlaat. Ik ben zelf als zijinstromer die een academische studie heeft afgerond vaak tegen het feit aangelopen dat ik wordt beoordeeld op competenties waarover degene die mij beoordelen niet beschikken. Ik heb les gekregen van iemand die gewoon stencils stond voor te lezen. Tijdens een stage kwam hij mij op basis van bovenstaande lijstje wel vertellen dat ik nog niet goed les kon geven. Dat voelt niet prettig en maakt dat het voor hoger opgeleiden die willen instromen niet aantrekkelijk is om de pabo te gaan doen. Dit is funest voor de kwaliteit van het onderwijs. Om de kwaliteit van de opleiding te veranderen zou hier iets aan gedaan moeten worden. Te zorgen voor excelente docenten op de pabo zelf die als voorbeeld inspirerend werken voor aankomend leraren op de basisschool zou de instroom en de aantrekkelijkheid van de pabo enorm vergroten.
    groet,
    Janus

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s