CITO: een spellingtoets

Het onderdeel taal op de cito-toets is met 100 van de 200 vragen het meest omvangrijk. Het grootste deel van de toets bestaat uit opgaven die te maken hebben met begrijpend lezen. Het belangrijkste advies dat kan leiden tot een goed resultaat is veel lezen en veel oefenen met oude cito-toetsen. Eén vijfde deel van deze 100 vragen gaat over spelling, onder andere spelling van werkwoorden. Juist op dat laatste onderdeel is met een aantal simpele spelregels een hele goede score te behalen.

De regels: staat een zin in de tegenwoordige tijd, gebruik dan ter controle van de juiste spelling het werkwoord ‘lopen’. Hoor je een ‘t’, dan schrijf je die ook bij het betreffende werkwoord. Staat een zin in de verleden tijd of betreft het een voltooid deelwoord, ga dan eerst terug naar het hele werkwoord en kijk of de laatste letter van de stam een letter van “t kofschip (x)” is of niet. Zo ja, schrijf je de verleden tijd met -te(n) en het voltooid deelwoord met een -t. Zo niet, met respectievelijk -de(n) en een -d. Een kind kan de was doen. (Wellicht ten overvloede, een vervoeging van de verleden tijd eindigt nooit op -dt; in oudere cito-toetsen is regelmatig het zinnetje ‘hij boodt op ….’ voorgekomen).

Na de publicatie van enkele rekentoetsen en een toets studievaardigheden moest er natuurlijk ook nog een toets spelling worden gegeven. De opgave bij deze toets is het vinden van de foutief gespelde woorden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s